In deze bestuursrechtelijke zaak staat de terugvordering van een Tozo-lening van €10.000,- centraal, verstrekt aan eiser die een restaurant exploiteert. De lening moest vanaf 1 juli 2022 worden afgelost, maar eiser is hier niet aan begonnen. Verweerder besloot daarom de lening in één keer terug te vorderen op grond van artikel 58, tweede lid, onder b van de Participatiewet. Eiser, gedupeerde van de toeslagenaffaire, verzocht om kwijtschelding van de schuld, hetgeen werd afgewezen.
De rechtbank stelt vast dat verweerder bevoegd was tot terugvordering omdat eiser zijn betalingsverplichtingen niet nakwam. Het betoog van eiser dat hij recht had op Tozo 2 en 3 uitkeringen en dat deze verrekend zouden moeten worden met de lening, wordt verworpen. De Tozo-regeling is vastgesteld door de regering en de partnertoets is daarin opgenomen, waar verweerder aan gebonden was.
De rechtbank constateert dat het bestreden besluit geen kenbare en evenwichtige belangenafweging bevat, wat een motiveringsgebrek oplevert. Verweerder krijgt de gelegenheid dit te herstellen. Daarnaast wijst de rechtbank erop dat de lening op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen niet voor kwijtschelding in aanmerking komt omdat de terugvordering pas in 2023 plaatsvond, na de in de wet gestelde termijn. Wel moet verweerder beoordelen of toepassing van de hardheidsclausule tot onbillijkheid van overwegende aard leidt.
De rechtbank houdt de verdere beslissing aan en bepaalt dat verweerder binnen acht weken de gebreken in het besluit moet herstellen. Over proceskosten wordt nog niet beslist. Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open, maar dit kan samen met het hoger beroep op de einduitspraak.