De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de rechtbank om de minderjarige kinderen onder toezicht te stellen vanwege langdurige conflicten tussen de ouders die de ontwikkeling van de kinderen bedreigen. De ouders zijn belast met het gezamenlijk gezag, maar kunnen niet samenwerken, wat leidt tot loyaliteitsconflicten bij de kinderen en gedragsproblemen bij een van hen.
Tijdens de zitting en in de stukken werd duidelijk dat vrijwillige hulpverlening niet effectief was gebleken. De moeder werkt niet mee aan het voorgestelde traject Ouderschap Blijft, terwijl de vader dit wel wil volgen. De Raad stelde dat een ondertoezichtstelling nodig is om de ouders te motiveren tot hulpverlening, maar de kinderrechter oordeelde dat dit onder de gegeven omstandigheden niet haalbaar is.
De kinderrechter concludeert dat de inzet van een gecertificeerde instelling (GI) in het kader van een ondertoezichtstelling niet zal leiden tot het wegnemen van de ontwikkelingsbedreiging binnen een aanvaardbare termijn. De langdurige strijd tussen de ouders, het gebrek aan vertrouwen en respect, en het niet naleven van rechterlijke beslissingen maken effectieve hulpverlening onwaarschijnlijk.
Daarom wijst de kinderrechter het verzoek tot ondertoezichtstelling af. De beslissing kan binnen drie maanden worden aangevochten bij het gerechtshof Amsterdam.