Deze zaak betreft de vraag of de verhuurder de huurovereenkomsten met de onderhuurders na het einde van de hoofdhuurovereenkomst mag beëindigen. De verhuurder verhuurde een woning die zonder de vereiste omzettings- en splitsingsvergunning was omgezet in zelfstandige en onzelfstandige woonruimtes. De gemeente stelde handhaving in en legde dwangsommen en boetes op.
De hoofdhuurovereenkomst met de oorspronkelijke huurders werd ontbonden wegens huurachterstand, waarna de verhuurder de huurovereenkomsten met de onderhuurders wilde beëindigen. De verhuurder stelde dat voortzetting van de huur niet van haar kon worden gevergd vanwege de illegale woonsituatie, lagere huurinkomsten en het ontbreken van vergunningen.
De kantonrechter oordeelde dat de belangenafweging in het voordeel van de verhuurder uitvalt. Hoewel de verhuurder deels zelf verantwoordelijk is voor de situatie, is de woning grotendeels leeg en kan deze niet legaal worden verhuurd. De huurovereenkomsten met de onderhuurders eindigen per datum vonnis met een ontruimingstermijn van drie maanden, en de huurders worden veroordeeld tot betaling van gebruiksvergoeding en proceskosten.
De vorderingen van de onderhuurders in reconventie werden afgewezen wegens het ontbreken van belang na beëindiging van de huurovereenkomsten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en de proceskosten worden hoofdelijk aan de huurders opgelegd.