De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam om een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarigen te verlenen. De minderjarigen verblijven momenteel niet thuis vanwege zorgen over hun veiligheid en welzijn. De moeder weigert medewerking aan huisbezoeken en contact met de GI, waardoor er onvoldoende zicht is op de thuissituatie.
De GI baseert haar verzoek op meerdere signalen, waaronder zorgen van de school en een sociaal-psychiatrisch verpleegkundige, die spreken van emotionele mishandeling, verwaarlozing en vermoedens van een psychose bij de moeder. De minderjarigen zelf geven aan het verblijf buiten huis acceptabel te vinden, maar willen graag terug naar hun moeder.
De moeder betwist de gronden voor uithuisplaatsing en stelt dat lichtere maatregelen niet zijn geprobeerd. Zij erkent zorgen, maar wijst vermoedens van psychische problemen af. De kinderrechter oordeelt dat de zorgen voldoende zijn onderbouwd en dat een periode van uithuisplaatsing tot 30 september 2025 noodzakelijk is om de veiligheid en ontwikkeling van de kinderen te waarborgen en onderzoek te doen naar de thuissituatie en de psychische gesteldheid van de moeder.
De machtiging wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het verzoek tot een langere machtiging wordt afgewezen. De beslissing kan binnen drie maanden worden aangevochten bij het gerechtshof.