ECLI:NL:RBNHO:2025:4201

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
26 februari 2025
Publicatiedatum
16 april 2025
Zaaknummer
C/15/354501 / JU RK 24-1006
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige wegens kwetsbare opvoedsituatie en problematiek moeder

De zaak betreft een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige, waarbij de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers het verzoek indient.

De minderjarige woont bij de moeder, die kampt met ernstige persoonlijkheids- en verslavingsproblematiek. De vader is gedetineerd en heeft begeleide omgang met de minderjarige. Positieve ontwikkelingen zijn zichtbaar, zoals deelname van de minderjarige aan kinderopvang en hulpverlening voor een taalontwikkelingsstoornis, evenals verbeterd contact tussen moeder en hulpverlening.

Desondanks zijn deze ontwikkelingen nog pril en blijft de situatie kwetsbaar. De moeder staat op de wachtlijst voor traumatherapie, waarvan de effecten op haar beschikbaarheid voor de minderjarige onzeker zijn. De hulpverlening wordt voortgezet en een borgingsplan wordt opgesteld. De vader ervaart onvoldoende informatievoorziening, waarvoor mediation wordt voorgesteld.

De kinderrechter concludeert dat het wettelijke criterium voor verlenging van de ondertoezichtstelling nog steeds is vervuld en verlengt deze tot 31 augustus 2025. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt verlengd tot 31 augustus 2025 en de beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/354501 / JU RK 24-1006
Datum uitspraak: 26 februari 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermerste Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. I.M. Thieme, kantoorhoudende te Zaandam,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
op dit moment gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [PI] (hierna: de PI),
hierna tezamen ook te noemen: de ouders.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 29 augustus 2024 en de daarin vermelde stukken;
  • het bericht met bijlagen van de GI met betrekking tot de huidige stand van zaken, binnengekomen bij de rechtbank op 18 februari 2025;
  • de brief met bijlagen van de advocaat van de moeder van 24 februari 2025, binnengekomen bij de rechtbank op diezelfde datum.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 26 februari 2025. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • de vader;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] woont bij de moeder. De vader is gedetineerd. [de minderjarige] heeft sinds eind 2024 omgang met de vader in detentie, conform de beschikking van de rechtbank van 13 juni 2024 (). Daarin is de volgende omgangsregeling tussen [de minderjarige] en de vader bepaald:
-
wekelijks op donderdag (in beginsel om 16.00 uur), wanneer zij bij de
grootouder(s) vz. verblijft, met de vader beeldbellen onder begeleiding van de sociaal-psychiatrisch verpleegkundige;
-
bezoekt de vader één keer per twee maanden met de grootouder(s) vz. in de PI, onder begeleiding van de sociaal-psychiatrisch verpleegkundige.
2.3.
Bij beschikking van de kinderrechter van 24 augustus 2023 is [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld met ingang van 23 augustus 2023 voor de duur van drie maanden. Bij beschikking van de kinderrechter van 31 augustus 2023 is [de minderjarige] vervolgens definitief onder toezicht gesteld met ingang van 31 augustus 2023 voor de duur van één jaar.
2.4.
Bij beschikking van de kinderrechter van 29 augustus 2024 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling verlengd tot 28 februari 2025, waarbij het resterende deel van het verzoek is aangehouden tot onderhavige zitting.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt het aangehouden deel van het verzoek tot ondertoezichtstelling van [de minderjarige] toe te wijzen. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De GI heeft het verzoek mondeling en schriftelijk, aan de hand van een beschrijving van de gebeurtenissen in het afgelopen half jaar, als volgt toegelicht.
3.2.
In de afgelopen maanden zijn er positieve ontwikkelingen geweest. Zo gaat [de minderjarige] sinds september 2024 twee dagdelen naar het kinderdagverblijf en sinds januari 2025 gaat zij vier dagdelen naar de peuterspeelzaal, wat bij de moeder voor structuur en rust zorgt. [de minderjarige] is verder aangemeld bij een logopedist, omdat zij een taal ontwikkel stoornis (hierna: TOS) heeft. Er wordt wel gezien dat [de minderjarige] zich ontwikkelt en meer praat.
Een andere positieve ontwikkeling zijn de contact- en omgangsmomenten met de vader. In oktober en december 2024 en in februari 2025 heeft [de minderjarige] namelijk begeleide omgangsmomenten gehad met de vader in de PI, die goed zijn verlopen. [de minderjarige] en de vader zijn blij elkaar te zien. Ook verlopen hun wekelijkse contacten via beeldbellen goed.
Verder staat de moeder inmiddels bovenaan de wachtlijst voor behandeling bij het FACT, gericht op traumabehandeling. Ook heeft de GI van de sociaalpsychiatrisch verpleegkundige van de moeder vernomen dat het hulpverleningstraject van de moeder bij SAFE (van Kenter Jeugdhulp) goed verloopt. SAFE wil in de aankomende maanden toewerken naar een afronding. De moeder wenst daarna nog wel te worden ondersteund door een andere hulpverleningsorganisatie. Verder is het cocaïnegebruik van de moeder al meerdere maanden nihil. Er worden sinds het laatste kwartaal geen urinecontroles meer gedaan, omdat deze steeds negatief waren en de moeder eerlijk is over haar drugsgebruik. De GI heeft nog niet vernomen of het klopt dat er in de afgelopen zes maanden geen veranderingen zijn ten aanzien van de verslavingstherapie/-behandeling van de moeder. De eventuele inhoud van een behandelplan van het FACT is nog onbekend.
3.3.
Het voorgaande neemt niet weg dat de positieve ontwikkelingen – met name van de emotionele beschikbaarheid en voorspelbaarheid van de moeder voor [de minderjarige] – nog pril zijn. De situatie is kwetsbaar en de doelen van de ondertoezichtstelling zijn nog niet volledig behaald. Het doel is dat de moeder uiteindelijk zelfstandig of met het betrokken netwerk verder kan, zodat [de minderjarige] ’s ontwikkeling niet stagneert. Om dat doel te kunnen bereiken is het van belang dat de GI de komende maanden samen met SAFE werkt aan een borgingsplan en dat de hulpverlening voor traumaverwerking bij het FACT start. Het is nog onzeker welke invloed dit zal hebben op de beschikbaarheid van de moeder voor [de minderjarige] , aangezien er een grote kans bestaat op vermijding. Hulpverlening in het gedwongen kader is dan ook nog noodzakelijk. Dit geldt temeer nu tussen de ouders een periode intensief contact is geweest, maar hun contact sinds december 2024 is gestopt. De moeder wenst namelijk geen contact meer. De informatieregeling richting de vader dient dan ook weer te worden opgestart, waarbij de GI kan bemiddelen.

4.De standpunten

De moeder
4.1.
Door en namens de moeder is aangevoerd dat er niet meer aan de gronden van de ondertoezichtstelling wordt voldaan. Er is inmiddels meer zicht op de ontwikkeling van [de minderjarige] en op de problematiek van de moeder. [de minderjarige] gaat vier dagdelen per week naar de opvang en zij is aangemeld voor de basisschool [basisschool] , waar zij ook hulpverlening krijgt aangeboden voor haar TOS. Ook staat [de minderjarige] op de wachtlijst voor logopedie. De moeder werkt ook mee met de hulpverlening en met SAFE wordt nu een borgingsplan opgesteld, dat zo goed als af is. Daarnaast gaat de moeder binnenkort met traumatherapie starten, wat niet van negatieve invloed zal zijn op de opvoedsituatie en veiligheid van [de minderjarige] . Anders dan een paar jaar geleden is de moeder nu namelijk klaar voor deze therapie. Het contact tussen [de minderjarige] en de vader verloopt ook goed en de moeder gunt het [de minderjarige] om omgang te hebben met de vader. Vanwege haar eigen problematiek wil de moeder op dit moment geen rechtstreeks contact met de vader, zodat de moeder wil dat de informatieregeling via een tussenpersoon verloopt.
De vader
4.2.
De vader is het eens met de verlenging van de ondertoezichtstelling. Dit neemt niet weg dat de vader zich onvoldoende serieus genomen voelt door de hulpverlening/de GI op de momenten dat hij zijn zorgen uit over [de minderjarige] . Hoewel de omgang met [de minderjarige] over het algemeen goed verloopt, is er sinds december 2024 wel een verandering te zien in de houding van [de minderjarige] tegenover de vader. Zij is minder positief richting de vader en de vader vermoedt dat de moeder [de minderjarige] belast met volwassenzaken. Sinds december 2024 wil de moeder namelijk plotseling ook geen direct contact meer met de vader. De moeder heeft niet aangegeven wat de reden hiervoor is. Naast omgang wil de vader ook graag op de hoogte worden gehouden over de ontwikkelingen in het leven van [de minderjarige] . Hoewel een informatieregeling door de rechtbank is vastgesteld, heeft de vader tot op heden nauwelijks informatie over [de minderjarige] ontvangen. Als de moeder de informatie niet rechtstreeks naar de vader wil sturen, dan wil de vader de informatie graag ontvangen via een tussenpersoon. Dit kan bijvoorbeeld via de gezinsfunctionaris van de PI.

5.De beoordeling

5.1.
Uit de stukken en wat ter zitting is besproken, blijkt dat [de minderjarige] zodanig opgroeit dat zij nog steeds ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. In augustus 2023 is de ondertoezichtstelling uitgesproken vanwege de forse persoonlijkheids- en verslavingsproblematiek van de moeder, waardoor er sprake was van een instabiele en onveilige opvoedomgeving voor [de minderjarige] . Er waren in die periode dan ook grote zorgen over de beschikbaarheid van de moeder als opvoeder. Een bijkomende zorg was dat de moeder onvoldoende meewerkte aan de hulpverlening. Zo hield zij zich niet goed aan de afspraken en (veiligheids)plannen. Op 29 augustus 2024 is de ondertoezichtstelling verlengd, omdat er nog onvoldoende zicht was op de ontwikkeling van [de minderjarige] en de problematiek van de moeder. Ook op dat moment werkte de moeder nog niet goed mee met de hulpverlening.
In de afgelopen zes maanden hebben er positieve ontwikkelingen plaatsgevonden, waardoor er stappen zijn gezet in de gestelde doelen van de ondertoezichtstelling.
Zo gaat [de minderjarige] inmiddels vier dagdelen per week naar de kinderopvang en lijkt zij zich goed te ontwikkelen. [de minderjarige] is ook aangemeld voor hulp voor haar TOS. Een andere positieve ontwikkeling is dat de moeder beter in contact is met de hulpverlening/de GI. Zij staat open voor adviezen en zij is bereid om traumatherapie te volgen, waarvoor zij op de wachtlijst staat. De hulpverlening van SAFE in de thuissituatie bij de moeder verloopt ook goed. SAFE wil graag een borgingsplan maken en het traject daarna afronden. Daarmee is er meer zicht gekomen op de ontwikkeling van [de minderjarige] en de moeder, wordt de nodige hulpverlening voor hen allebei ingezet en geaccepteerd en lijkt er meer rust te zijn gekomen in de opvoedsituatie van [de minderjarige] . Hiervoor verdient de moeder een compliment.
Er is inmiddels ook sprake van structurele goede omgang tussen [de minderjarige] en de vader. De komende periode zal er nog wel aandacht moeten komen voor het goed informeren van de vader over de ontwikkelingen in het leven van [de minderjarige] conform de geldende informatieregeling.
5.2.
De GI stelt daarentegen ook terecht vast dat de hiervoor genoemde positieve ontwikkelingen nog pril zijn en de situatie nog te kwetsbaar is voor een overdracht naar het vrijwillige kader. Dit geldt temeer nu SAFE nog bezig is met een borgingsplan en de moeder nog traumatherapie zal volgen. Het is nog onduidelijk wat deze therapie bij haar teweeg zal brengen en of zij dan voldoende beschikbaar blijft voor [de minderjarige] . Daarom is het van belang dat de GI de komende zes maanden betrokken blijft om de situatie te monitoren, de ingezette hulpverlening te borgen en indien mogelijk tot een afronding van de ondertoezichtstelling te komen (waarbij de afronding door de GI ter toetsing voorgelegd zal worden aan de Raad voor de Kinderbescherming).
5.3.
Uit het voorgaande volgt dat nog steeds is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 van Pro het Burgerlijk Wetboek. Gelet op de aanwezige problematiek en in te zetten hulpverlening, zal de ondertoezichtstelling verlengd worden voor het resterende deel van het verzoek, dus tot 31 augustus 2025.
5.4.
De kinderrechter zal deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van
[de minderjarige]tot 31 augustus 2025;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2025 door mr. S. Ok, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. F.G. van der Erve als griffier, en op schrift gesteld op 11 maart 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.