De rechtbank Noord-Holland heeft op 21 januari 2025 uitspraak gedaan over het verzoek van de verdachte tot beëindiging van de ISD-maatregel die hem op 14 september 2023 was opgelegd voor de duur van twee jaar.
De procedure omvatte een schriftelijk verzoek tot beëindiging, het voortgangsverslag van de penitentiaire inrichting en een openbare terechtzitting waarbij de verdachte, zijn raadsman, de officier van justitie en een deskundige casemanager werden gehoord.
De inrichting en de psycholoog adviseerden voortzetting van de maatregel vanwege het positieve urinecontrole resultaat, onvoldoende medewerking aan behandeling en het hoge recidiverisico. De officier van justitie steunde dit standpunt. De raadsman voerde aan dat de verdachte zijn emoties kan reguleren en het recidiverisico is verminderd.
De rechtbank oordeelde dat beëindiging van de maatregel onveiligheid en overlast zou veroorzaken omdat de noodzakelijke therapieën niet zijn afgerond en de verdachte onvoldoende is behandeld. Er zijn geen omstandigheden buiten zijn macht die voortzetting zinloos maken. Het verzoek tot het horen van de casemanager werd afgewezen omdat deze recent is overgeplaatst en weinig kon verklaren.
De rechtbank besloot de ISD-maatregel te handhaven voor de resterende duur, met het oog op de bescherming van de maatschappij en het voorkomen van recidive.