ECLI:NL:RBNHO:2025:491

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
10 januari 2025
Publicatiedatum
21 januari 2025
Zaaknummer
359433
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling minderjarige wegens langdurige ouderlijke conflicten en negatieve interactie

De rechtbank Noord-Holland heeft op 10 januari 2025 een beschikking gegeven tot ondertoezichtstelling van een minderjarige, vanwege ernstige bedreigingen in haar ontwikkeling door de langdurige en negatieve interactie tussen haar ouders. De ouders zijn gescheiden en kunnen niet gezamenlijk beslissingen nemen, waardoor de minderjarige klem zit tussen hen en emotioneel belast wordt.

Ondanks diverse vrijwillige hulpverleningsinitiatieven, zoals systeemtherapie en individuele therapie, is er geen verbetering opgetreden door de blijvende strijd tussen de ouders. De minderjarige ervaart hierdoor een laag zelfbeeld, sombere buien, en een mogelijk eetprobleem. De Raad voor de Kinderbescherming verzoekt daarom een ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar, met directe uitvoerbaarheid.

De kinderrechter acht de wettelijke criteria uit artikel 1:255 BW Pro vervuld en stelt de minderjarige onder toezicht van een gecertificeerde instelling, die regie zal voeren over de noodzakelijke hulpverlening. De beschikking is in het openbaar uitgesproken en kan binnen drie maanden worden aangevochten via hoger beroep.

Uitkomst: De minderjarige wordt voor de duur van een jaar onder toezicht gesteld van een gecertificeerde instelling met directe uitvoerbaarheid.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/359433 / JU RK 24-1770
Datum uitspraak: 10 januari 2024
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Haarlem,
hierna te noemen: de Raad,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met als bijlage het Raadsrapport van 28 november 2024, ontvangen op 28 november 2024.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 10 januari 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder;
- [vertegenwoordiger van de raad] , namens de Raad;
- [vertegenwoordiger van de GI] , namens de gecertificeerde instelling De Jeugd- en Gezinsbeschermers te Haarlem (hierna: de GI).
1.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar haar mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter voor de zitting. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] woont bij de vader en heeft een keer in twee weken weekendomgang met de moeder.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [de minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Ter onderbouwing van het verzoek schrijft de Raad het volgende.
De ouders zijn rond de geboorte van [de minderjarige] uit elkaar gegaan. [de minderjarige] heeft sinds haar geboorte om de week bij de vader en de moeder gewoond.
Sinds december 2022 woont zij vrijwel onafgebroken bij de vader, omdat het steeds wisselen van woonplek voor veel stress en gedoe zorgde. Er zijn afspraken over de omgang, maar deze worden in de praktijk niet nageleefd. Wanneer [de minderjarige] bij de ene ouder is, heeft zij weinig tot geen contact met de andere ouder. Het lukt de ouders sinds een aantal jaar niet meer om samen beslissingen rondom [de minderjarige] te nemen. Dit betekent dat afspraken vooral via [de minderjarige] gaan. De grootste zorg van de Raad is dat [de minderjarige] vaak bang is om het niet goed te doen, bang is niet goed genoeg te zijn voor de ouders en onvoldoende zichzelf kan zijn. De visies en zorgen van de ouders over [de minderjarige] zijn totaal verschillend. De ouders delen wel de zorgen om [de minderjarige] , maar het lukt hen onvoldoende om het belang van [de minderjarige] centraal te stellen. De ouders blijven elkaar diskwalificeren ten overstaan van [de minderjarige] en zijn nog steeds te veel in beslag genomen door hun onderlinge strijd en de pijn die zij ervaren. Zij zijn daardoor op momenten onvoldoende emotioneel beschikbaar voor [de minderjarige] . [de minderjarige] zit knel tussen de ouders en heeft het gevoel te moeten kiezen. Dit maakt dat zij geen keuzes durft te maken en gaat liegen om niet in de problemen te komen en om niet afgewezen te worden. [de minderjarige] moet voortdurend op haar tenen lopen en ervaart geen rust in de thuissituatie bij de ouders. Zij krijgt van de ouders onvoldoende vaardigheden aangeleerd voor het constructief oplossen van conflicten. Alle ingezette hulp voor de ouders en voor [de minderjarige] komt niet van de grond door de blijvende negatieve interactieproblemen tussen ouders. De Raad vindt het belangrijk dat de ouders kritisch naar zichzelf gaan kijken en naar wat zij anders kunnen doen. Ook mag [de minderjarige] niet meer belast worden met volwassenzaken en moet het voor haar duidelijk zijn waar zij woont. [de minderjarige] moet bovendien worden geholpen bij haar mogelijke eetprobleem en de oorzaak daarvan. De ouders van [de minderjarige] zijn wel bereid om hulpverlening te aanvaarden, maar het lukt hen door hun onderlinge strijd onvoldoende om van deze hulp te profiteren.
3.3.
Tijdens de zitting heeft de Raad in aanvulling op het bovenstaande aan de ouders en de GI meegegeven dat GGZ NH Noord heeft verzocht om, in het geval het verzoek wordt toegewezen, hiervan op de hoogte te worden gebracht.

4.De standpunten

4.1.
De moeder geeft ter zitting aan dat zij het eens is met het verzoek, maar zij vindt het verdrietig voor [de minderjarige] dat het tot een ondertoezichtstelling is gekomen. De moeder ziet dat [de minderjarige] het vaak moeilijk heeft bij de vader en dat zij moeite heeft om te zeggen wat zij wil. De moeder hoopt dat de ondertoezichtstelling [de minderjarige] de ondersteuning en rust biedt die zij nodig heeft en dat [de minderjarige] opgroeit in een veilige omgeving.
4.2.
De vader is het ook eens met een ondertoezichtstelling, omdat het noodzakelijk is om de situatie voor [de minderjarige] te verbeteren, al had hij het net als de moeder ook graag anders gezien voor [de minderjarige] . Volgens de vader zitten er twee kanten aan het verhaal en zijn er twee situaties. Het lukt de ouders niet om samen te werken in het belang van [de minderjarige] . Hiervoor is hulp nodig.

5.De mening van [de minderjarige]

5.1.
woont bij de vader en heeft omgang met de moeder. Zij zit al langere tijd in een moeilijke situatie en wil graag dat de ouders in haar belang handelen, ook als dat betekent dat zij iets moeten doen wat zij niet willen. Ze voelt zich iets beter, doordat zij ervoor heeft gekozen om de strijd tussen haar ouders over zich heen laat komen en er luchtig over te doen. [de minderjarige] zou het heel fijn vinden als er door middel van een ondertoezichtstelling verbetering komt in de situatie tussen de ouders, zodat er de laatste anderhalf jaar tot haar meerderjarigheid in ieder geval geen gedoe is. Zij vertelt verder dat ze het op dit moment uitdagend vindt op school en hulp gaat krijgen in haar planning daarbij. Verder heeft ze geen hulpverlening meer. De gesprekken met de therapeut waren prima, aldus [de minderjarige] , maar brachten haar niet verder.

6.De beoordeling

6.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
6.2.
Zo bestaan er ernstige bedreigingen in de ontwikkeling van [de minderjarige] . [de minderjarige] bevindt zich al sinds haar geboorte in een complexe opvoedsituatie. De ouders zijn uit elkaar gegaan toen de moeder nog in verwachting was van [de minderjarige] . Zij lijkt nooit een structureel stabiele opvoedomgeving te hebben gehad. De band tussen [de minderjarige] en de ouders afzonderlijk is goed, maar de ouders zijn niet structureel in staat geweest om gezamenlijk in het belang van [de minderjarige] te handelen. Redengevend daarvoor is dat de ouders al jarenlang een slechte verstandhouding hebben en de ander diskwalificeren als ouder. [de minderjarige] krijgt helaas het nodige mee van de ex-ouderproblematiek doordat zij door de ouders belast wordt met volwassenzaken. De verstandhouding tussen de ouders is zelfs zo slecht dat [de minderjarige] als spil fungeert tussen de ouders, omdat zij niet met elkaar willen/kunnen communiceren. Wat de situatie extra gecompliceerd maakt is dat de ouders een andere opvoedomgeving aan [de minderjarige] bieden en tegengestelde visies hebben over gebeurtenissen, wat er niet goed gaat en wat goed is voor [de minderjarige] . [de minderjarige] zit hierdoor al langdurig en volledig klem tussen de ouders en voelt zich niet (altijd) voldoende gezien en gehoord. Zij ervaart door de problematiek tussen de ouders ook een lijdensdruk en heeft sombere buien. Daar komt bij dat zij een laag zelfbeeld heeft en zich als kameleon gedraagt door zich telkens aan te passen aan de situatie bij de vader dan wel de moeder. Zij schuift haar eigen behoeftes opzij, omdat zij bang is om een ouder te verliezen. Verder liegt zij veel om confrontaties te vermijden. Het liegen is volgens [de minderjarige] inmiddels een automatisme geworden. Er zijn dan ook grote zorgen over de ontwikkeling en het welzijn van [de minderjarige] . Dit geldt temeer nu de inname van ADHD medicatie heel belangrijk is, maar niet altijd goed gaat, zij een mogelijk eetprobleem heeft (ontwikkeld) en er volgens de vader mogelijk sprake is van een onderliggende problematiek (in de hechting).
6.3.
Er is al veel hulpverlening ingezet in het vrijwillige kader voor [de minderjarige] en de ouders (zoals Kinderen uit de Knel en systeemtherapie voor [de minderjarige] en de ouders, individuele therapie voor [de minderjarige] , psycho-educatie voor de ouders). Door onder meer de blijvende negatieve interactiepatronen tussen de ouders is die hulpverlening helaas niet goed van de grond gekomen of niet het gewenste effect gesorteerd. Daarom is het noodzakelijk dat er binnen het gedwongen kader van een ondertoezichtstelling door een jeugdbeschermer stevig regie wordt gevoerd zodat de nodige stappen gezet worden in het belang van [de minderjarige] . De jeugdbeschermer zal daartoe de nodige hulpverlening inzetten en borgen, nadat goed zicht is verkregen op de situatie van [de minderjarige] en de ouders, alsook de behoeftes van [de minderjarige] .
6.4.
De gestelde doelen waaraan gewerkt zal worden zijn de volgende:
- [de minderjarige] groeit op binnen een voorspelbare en veilige opvoedomgeving met beschikbare ouders die aansluiten bij haar behoeften;
- [de minderjarige] wordt geholpen bij haar mogelijke eetprobleem en de oorzaak daarvan;
- [de minderjarige] wordt niet meer belast met volwassenzaken en is geen getuige meer van spanningen en ruzies tussen ouders. Ouders praten niet negatief over de andere ouder in het bijzijn van [de minderjarige] ;
- het is voor [de minderjarige] duidelijk waar zij woont en er is geen onduidelijkheid meer over
haar toekomstperspectief;
- [de minderjarige] heeft voorspelbaar contact met haar ouders, waarin duidelijk is wat er wederzijds van elkaar verwacht kan worden;
- de GI onderzoekt of creatieve therapie voor [de minderjarige] passend is.
6.5.
Gelet op het voorgaande (waaronder de gestelde doelen) zal [de minderjarige] onder toezicht worden gesteld voor de duur van een jaar. De beslissing zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
stelt
[de minderjarige]onder toezicht van de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers, gevestigd te Haarlem met ingang van 10 januari 2025 tot 10 januari 2026;
7.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. S. Ok, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 10 januari 2024, in aanwezigheid van mr. N. van Lede-Terhaar sive Droste als griffier.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld en getekend op 14 januari 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.