Op 25 oktober 2019 werd een bewind ingesteld over de goederen van betrokkene wegens problematische schulden. Betrokkene verzocht opheffing van het bewind omdat hij meent dat zijn belangen niet naar behoren worden behartigd en hij geen inzicht heeft in zijn financiële zaken.
De bewindvoerder was aanvankelijk tegen opheffing vanwege de nog bestaande schulden en twijfels over betrokkene's vermogen om zijn financiële belangen zelf te behartigen. Tijdens de mondelinge behandeling bleek de samenwerking echter dermate verslechterd dat voortzetting niet zinvol werd geacht.
De kantonrechter oordeelde dat hoewel de noodzaak van het bewind nog bestaat vanwege de schulden, de stroeve en agressieve communicatie van betrokkene en zijn echtgenote het onmogelijk maakt om het bewind zinvol voort te zetten. Betrokkene had toegang tot alle bankafschriften en meerdere kansen gehad om bezwaar te maken tegen de rekening en verantwoording, maar had dit nagelaten.
Gelet op het dossier, de communicatieproblemen en de houding van betrokkene, wees de kantonrechter het verzoek toe en hief het bewind op met ingang van twee weken na de uitspraak. Tevens werd de beloning van de bewindvoerder vastgesteld op €248 exclusief btw voor de werkzaamheden betreffende de eindrekening.