Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.Tenlastelegging
2.Voorvragen
3.Beoordeling van het bewijs
Nadat het vuurwapen was afgegaan, zijn de verdachte en de aangever elk een andere kant opgerend. De verdachte is via het West naar de Westerdijk gerend, waar hij het vuurwapen in het Markermeer heeft gegooid.
voorafgaandaan de worsteling voorwaardelijk opzet heeft gehad op het doden van de aangever. Zoals ook de aangever zelf heeft verklaard, is hij op de verdachte afgelopen, waarna de verdachte achteruitliep en zijn doorgeladen wapen toonde om de aangever af te schrikken. Volgens de aangever probeerde hij toen het wapen af te pakken door de verdachte vast te pakken, waardoor de worsteling ontstond. Onder die omstandigheden kan, anders dan de officier van justitie heeft aangevoerd, niet worden geconcludeerd dat de verdachte onmiddellijk voorafgaand aan de worsteling door het tonen van het doorgeladen vuurwapen de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij in een worsteling terecht zou komen waarbij het vuurwapen de aangever dodelijk zou kunnen verwonden. De worsteling is immers veroorzaakt als gevolg van de handelwijze van de aangever, niet van de verdachte. De enkele omstandigheid dat de verdachte de aangever met een vuurwapen bedreigde op het moment dat de aangever op hem, de verdachte, afkwam, maakt niet dat de verdachte op dat moment ook willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaardde dat hij in een worsteling terecht zou komen waarbij hij de aangever dodelijk zou kunnen raken.
tijdensde worsteling voorwaardelijk opzet heeft gehad op het doden van de aangever. De aangever heeft verklaard dat hij tijdens die worsteling beschoten is en dat het vuurwapen afging naast zijn hoofd. Ook heeft hij verklaard dat hij tijdens de worsteling het vuurwapen heeft aangeraakt en heeft geprobeerd het pistool uit de handen van de verdachte te trekken. De verdachte heeft verklaard dat hij het vuurwapen vast had op het moment dat het afging, maar ontkent dat hij de trekker heeft overgehaald.
4.Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III
bedreiging met de dood en/of met zware mishandeling.
Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.
5.Strafbaarheid van de verdachte
6.Motivering van de sanctie
7.Vordering benadeelde partij
8.Toepasselijke wettelijke voorschriften
9.Beslissing
10 (tien) maanden.
ontactverbod
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum