Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
gemachtigde: mr. E.A. de Waart.
Rechtbank Noord-Holland
Verzoeker heeft op 25 februari 2025 een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechter die belast is met de behandeling van een dagvaardingsprocedure en een verzoekschriftprocedure betreffende een beheerregeling van een onroerende zaak in gemeenschap. De wrakingskamer oordeelt dat het verzoek te laat is ingediend, aangezien verzoeker al op 31 januari 2025 en zeker op 5 februari 2025 op de hoogte was van de betrokkenheid van dezelfde rechter in beide procedures.
De wrakingskamer overweegt dat verzoeker het wrakingsverzoek zo spoedig mogelijk na deze datum had moeten indienen. Omdat het verzoek pas op 25 februari 2025 werd ingediend, wordt het niet-ontvankelijk verklaard. Ten overvloede beoordeelt de wrakingskamer ook inhoudelijk het verzoek en concludeert dat de aangevoerde feiten en omstandigheden geen grond vormen voor wraking.
De wrakingskamer stelt vast dat de rechter geen vooringenomenheid jegens verzoeker koestert en dat er geen objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid bestaat. Ook de onbegrijpelijkheid van een vonnis en proceskostenveroordeling vormen geen grond voor wraking. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 april 2025 door de wrakingskamer van de Rechtbank Noord-Holland.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening en bij gebreke aan gegronde vrees voor partijdigheid.