AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Tussenvonnis over oneerlijkheid incassokostenbeding in HISWA algemene voorwaarden
In deze bodemzaak vordert Marina Den Oever B.V. betaling van een bedrag van €14.126,38 plus incassokosten, wettelijke rente en proceskosten, alsmede ontbinding van de huurovereenkomst en verwijdering van het vaartuig van de gedaagde. Tegen de gedaagde is verstek verleend.
De overeenkomst tussen partijen betreft havendiensten en is gesloten in 2011, vóór implementatie van de Richtlijn Consumentenrechten. Daarom is geen ambtshalve toetsing van (pre)contractuele informatieplichten vereist. Wel toetst de kantonrechter ambtshalve de algemene voorwaarden op oneerlijke bedingen, conform het Dexia-arrest en Richtlijn 93/13/EEG.
Het rentebeding in artikel 4 lid 3 vanPro de HISWA voorwaarden wordt niet als oneerlijk beoordeeld. Het incassokostenbeding in artikel 4 lid 4 isPro echter voorlopig wel oneerlijk omdat het afwijkt van wettelijke regels door een vaste vergoeding van minimaal 15% en €113,50 te eisen zonder maximum, wat de consument kan belasten met hogere kosten dan wettelijk toegestaan.
De kantonrechter stelt de eisende partij in de gelegenheid zich schriftelijk uit te laten over dit oordeel. De verdere beslissing wordt aangehouden tot na ontvangst van deze reactie.
Uitkomst: De kantonrechter houdt de beslissing aan en geeft de eisende partij gelegenheid zich uit te laten over de oneerlijkheid van het incassokostenbeding.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Bewind
locatie Alkmaar
Zaaknr./rolnr.: 11369545 \ CV EXPL 24-3575
Uitspraakdatum: 28 mei 2025
Tussenvonnis van de kantonrechter in de zaak van:
Marina Den Oever B.V.
te Wieringerwerf
de eisende partij
gemachtigde: mr. E.H.J. Slager
tegen
[gedaagde]
te onbekend
de gedaagde partij
niet verschenen
1.De procedure
1.1.
De eisende partij heeft de gedaagde partij gedagvaard. De eisende partij heeft de vordering bij akte vermeerderd. Tegen de gedaagde partij is verstek verleend.
2.De beoordeling
2.1.
De eisende partij vordert, na vermeerdering van eis, veroordeling van de gedaagde partij tot betaling van € 14.126,38, te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten, de wettelijke rente en de proceskosten. Daarnaast vordert de eisende partij de huurovereenkomst te ontbinden en de gedaagde partij te veroordelen tot het verwijderen van zijn vaartuig binnen twee dagen na betekening van het (eind)vonnis, op straffe van een dwangsom.
Geen ambtshalve toetsing van de (pre)contractuele informatieplichten
2.2.
De vordering is gebaseerd op een overeenkomst tussen een handelaar en een consument. De overeenkomst is gesloten op 14 augustus 2011. Op dat moment was de Richtlijn 2011/83/EU (Richtlijn Consumentenrechten) nog niet in het Nederlandse recht geïmplementeerd. Ook zijn de precontractuele informatieplichten van artikel 6:230b niet van toepassing omdat er hier sprake is van een overeenkomst van havendiensten. [1] Daarom hoeft de kantonrechter niet te toetsen of de eisende partij heeft voldaan aan de (pre)contractuele informatieplichten.
Ambtshalve toetsing van de algemene voorwaarden.
2.3.
De kantonrechter is, gelet op het Dexia-arrest [2] , gehouden om onderzoek te doen naar (mogelijk) oneerlijke bedingen in de toepasselijke algemene voorwaarden. Volgens Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten is een beding oneerlijk wanneer dit het evenwicht tussen de wederzijdse rechten en verplichtingen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. De kantonrechter moet in iedere procedure over ieder onderdeel van de vordering beoordelen of daarover in de algemene voorwaarden afspraken zijn gemaakt en of die afspraken al dan niet oneerlijk zijn ten opzichte van de consument. Als de kantonrechter oordeelt dat een contractuele afspraak oneerlijk is, moet het beding worden vernietigd en moet de vordering op dat onderdeel worden afgewezen (ook als de eisende partij in de procedure een beroep doet op wettelijke bepalingen in plaats van op die contractuele afspraak).
2.4.
Uit de overgelegde stukken blijkt dat op de overeenkomst(en) de volgende algemene voorwaarden van toepassing zijn verklaard: ‘HISWA Algemene Voorwaarden huur en verhuur lig- en/of bergplaatsen (voor vaartuigen en aanverwante artikelen)’ (hierna: de algemene voorwaarden).
2.5.
Het rentebeding uit artikel 4 lid 3 vanPro de algemene voorwaarden, is door de kantonrechter getoetst en niet oneerlijk bevonden.
2.6.
Artikel 4 lid 4 vanPro de algemene voorwaarden betreft een incassokostenbeding. Dat luidt – voor zover relevant – als volgt: ‘4. Alle buitengerechtelijke kosten zijn voor rekening van de huurder; deze kosten bedragen tenminste 15% van het verschuldigde bedrag met een minimum van € 113,50, te vermeerderen met de werkelijke gemaakte verschotten, tenzij de huurder bewijst dat met een lager minimum had kunnen worden volstaan. (…)’
2.7.
In dit beding wordt ten nadele van de consument afgeweken van het bepaalde in artikel 6:96 vanPro het Burgerlijk Wetboek (BW) en het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten. Er wordt immers van uitgegaan dat alle kosten verschuldigd zijn. Daarbij is ook geen maximum opgenomen, wat ertoe leidt dat onbeperkte kosten voor rekening van de consument zouden kunnen komen. Dat zou tot gevolg hebben dat de consument belast wordt met hogere kosten dan wettelijk is toegestaan. Ook is in dit geval de bedongen vergoeding altijd ten minste 15% van de hoofdsom en tenminste € 113,50 en daarmee hoger dan de wettelijke vergoeding.
2.8.
Gelet op het voorgaande is de kantonrechter voornemens om artikel 4.4 van de algemene voorwaarden te vernietigen voor zover dit betrekking heeft op buitengerechtelijke kosten. De eisende partij krijgt de gelegenheid om zich hierover uit te laten.
Conclusie
2.9.
De eisende partij wordt in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over het voorshands uitgesproken oordeel omtrent de oneerlijkheid van het hiervoor genoemde beding.
2.10.
Als aan de hierboven bedoelde opdracht niet of niet volledig wordt voldaan, zal de kantonrechter daaraan op grond van de artikelen 22 en 139 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de gevolgen verbinden die zij geraden acht.
2.11.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
3.De beslissing
De kantonrechter:
3.1.
verwijst de zaak naar de rol van 25 juni 2025 om de eisende partij in de gelegenheid te stellen zich bij akte uit te laten over het voorshands uitgesproken oordeel zoals hiervoor is overwogen;
3.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Woerdman en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Voetnoten
1.Artikel 2, aanhef en onder 6 van de Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten, tot wijziging van Richtlijn 93/13/EEG van de Raad en van Richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 85/577/EEG en van Richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad,
2.HvJ EU 27 januari 2021, C‑229/19 en C‑289/19, ECLI:NL:EU:C:68 (Dexia).