Op 10 september 2024 stichtte de verdachte in Haarlem opzettelijk brand in een woning door een papiertje en een badjas in brand te steken, waardoor de slaapkamer gedeeltelijk verbrandde en er gemeen gevaar voor de woning, naastgelegen woningen en personen aanwezig op de stoep ontstond. De verdachte en zijn vader konden tijdig vluchten, maar liepen rookschade op en werden medisch gecontroleerd.
De rechtbank stelde vast dat de verdachte het feit heeft begaan en dat er sprake was van levensgevaar voor betrokkenen en omstanders. De verdediging voerde aan dat het levensgevaar onvoldoende bewezen was, maar dit werd verworpen op basis van de ernst van de brand en de gevolgen daarvan.
De verdachte is verminderd toerekeningsvatbaar vanwege een autismespectrumstoornis, een persisterende depressieve stoornis en een ernstige alcoholverslaving, zoals vastgesteld in psychologisch onderzoek. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 12 maanden op, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar, gekoppeld aan bijzondere voorwaarden zoals opname in een zorginstelling en behandeling.
De straf is mede bedoeld om de verdachte te motiveren mee te werken aan noodzakelijke behandeling. De tijd in voorarrest wordt in mindering gebracht. De rechtbank sprak verdachte vrij van overige tenlasteleggingen die niet bewezen konden worden.