De zaak betreft een kort geding over de ontruiming van een zomerhuis dat onderdeel is van een nalatenschap. Eisers, erfgenamen van de overleden verhuurder, vorderen ontruiming van de huurder die het zomerhuis gebruikt als woonruimte. De huurovereenkomst was oorspronkelijk voor drie maanden, maar is stilzwijgend verlengd tot bijna vijf jaar.
De kantonrechter oordeelt dat de huurovereenkomst niet kwalificeert als huurovereenkomst van korte duur, waardoor de huurder aanspraak maakt op wettelijke huurbescherming. Er is onvoldoende bewijs voor een wilsgebrek of een spoedeisend belang dat een ontruiming rechtvaardigt. Ook is onvoldoende aannemelijk dat de gemeente concreet handhavend zal optreden op grond van het bestemmingsplan.
De vorderingen van eisers tot betaling van huur en achterstallige bedragen worden afgewezen wegens gebrek aan belang en onduidelijkheid. De vorderingen van de huurder in reconventie, waaronder het terugbrengen van schuttingen, het staken van hinder en het verkrijgen van sleutels en internetaansluiting, worden eveneens afgewezen wegens onvoldoende bewijs van rechten of verplichtingen.
Beide partijen worden veroordeeld in de proceskosten, elk voor een bedrag van €834,-. De veroordelingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard.