Uitspraak
RECHTBANK Noord-Holland
1.[eiser sub 1] ,2. [eiseres sub 2] ,
1.[gedaagde sub 1] ,2. [gedaagde sub 2] ,
1.De procedure
2.De beoordeling in het incident
3.De beslissing
11 juni 2025voor beraad,
Rechtbank Noord-Holland
In deze civiele zaak vorderen eisers de schorsing van de executie van een verstekvonnis dat op 12 februari 2025 is gewezen en uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Zij wensen dat de tenuitvoerlegging wordt opgeschort tot de datum van de uitspraak in de verzetprocedure. Tevens vorderen zij de opheffing van eventuele executiemaatregelen en kostenvergoeding.
De verwerende partijen hebben aangegeven de executie vrijwillig te schorsen gedurende de verzetprocedure. De rechtbank overweegt dat het ingestelde verzet de tenuitvoerlegging van een verstekvonnis niet automatisch schorst, maar dat op grond van artikel 223 Rv Pro een voorlopige voorziening kan worden getroffen indien het belang van eisers zwaarder weegt dan dat van de verwerende partijen.
Gezien het belang van eisers en de bereidheid van verwerende partijen tot schorsing, wijst de rechtbank de gevorderde schorsing toe. De gevorderde opheffing van executiemaatregelen wordt afgewezen omdat geen maatregelen zijn genomen of aangekondigd. Daarnaast veroordeelt de rechtbank de verwerende partijen in de kosten van het incident, begroot op €614. De zaak wordt verwezen naar de rol voor verdere behandeling.
Uitkomst: De rechtbank schorst de executie van het verstekvonnis tot de uitspraak in de verzetprocedure en veroordeelt de verwerende partij in de proceskosten.