Uitspraak
RECHTBANK Noord-Holland
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
5.De beslissing
4 juni 2025.
Rechtbank Noord-Holland
Partijen, broers, werkten jarenlang samen in een vennootschap onder firma (vof) die op 20 februari 2017 werd ontbonden toen gedaagde uittrad en eiser de onderneming als eenmanszaak voortzette. De financiële afwikkeling van de vof was nog niet afgerond. Eiser vorderde onder meer de ontbinding van de vof, de vaststelling van de eindbalans 2016 als bindend en de verdeling van het vennootschapsvermogen.
De rechtbank verklaarde eiser niet-ontvankelijk in zijn vorderingen tot ontbinding en bindendverklaring van de eindbalans, omdat hij daarin geen belang had. Partijen waren het erover eens dat de vof per 20 februari 2017 was ontbonden en dat de onderneming door eiser werd voortgezet. De rechtbank stelde vast dat de verdeling van het vermogen van de vof moest plaatsvinden op basis van de jaarrekening 2016, waarbij het eigen vermogen van € 28.626,00 gelijk verdeeld moest worden.
Gedaagde stelde dat ook panden, privé-onttrekkingen en goodwill verdeeld moesten worden, maar kon dit onvoldoende onderbouwen. De rechtbank oordeelde dat de panden niet tot het vermogen van de vof behoorden, dat er geen afspraken waren over verrekening van privé-onttrekkingen en dat de goodwill niet aannemelijk was. Daarom wees de rechtbank deze aanvullende vorderingen af.
De rechtbank veroordeelde eiser tot betaling van € 14.313,00 aan gedaagde binnen 30 dagen en veroordeelde gedaagde in de proceskosten. De uitspraak werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De rechtbank bepaalt dat het vermogen van de ontbonden vof gelijk verdeeld wordt, waarbij eiser € 14.313,00 aan gedaagde moet betalen.