De rechtbank Noord-Holland heeft op 13 mei 2025 uitspraak gedaan in de zaak tegen de verdachte die werd beschuldigd van medeplegen van het opzettelijk binnenbrengen van 1260 gram cocaïne in Nederland. De verdachte reisde samen met een medeverdachte van Curaçao naar Nederland, waarbij in beide koffers cocaïne werd aangetroffen. De verdachte gaf gedeeltelijk toe, maar ontkende medeplegen.
De rechtbank oordeelde dat er sprake was van nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte, mede omdat de medeverdachte de koffers met geïmpregneerde kledingstukken bij zich had en de omstandigheden geen bijzondere uitzonderingen boden om onwetendheid aan te nemen. De verdachte werd daarom wettig en overtuigend veroordeeld voor medeplegen van de invoer van cocaïne.
Bij de strafoplegging hield de rechtbank rekening met de ernst van het feit, de hoeveelheid cocaïne en de maatschappelijke gevolgen van handel in harddrugs. Ondanks de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder het verlies van zijn ouders, werd een gevangenisstraf van tien maanden opgelegd, conform de richtlijnen van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. De tijd in voorarrest wordt in mindering gebracht.