Op 2 maart 2025 werd verdachte gearresteerd op Schiphol na het aantreffen van twaalf pakketten cocaïne in zijn ingecheckte koffer. Verdachte ontkende kennis van de drugs, maar de rechtbank achtte zijn verklaring ongeloofwaardig gezien het gewicht van de koffer en zijn gedragingen.
De verdediging voerde aan dat verdachte niet wist van de cocaïne en stelde procedurele fouten aan de kaak, waaronder schending van de verbaliseringsplicht en het ontbreken van een vertaling van het bevel tot inverzekeringstelling. De rechtbank verwierp deze verweren omdat verdachte voldoende op de hoogte was van zijn situatie en niet in zijn belangen was geschaad.
De rechtbank stelde vast dat verdachte opzettelijk een aanzienlijke hoeveelheid cocaïne invoerde, bestemd voor verdere verspreiding. Gelet op de ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, die geen eerdere vergelijkbare veroordelingen had, werd een gevangenisstraf van 48 maanden opgelegd, met aftrek van voorarrest.