ECLI:NL:RBNHO:2025:6825

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
15 mei 2025
Publicatiedatum
23 juni 2025
Zaaknummer
15.064166.25
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 326a SrArt. 310 SrArt. 366a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens ontbreken gewoonte bij flessentrekkerij en geen bewijs diefstal

De rechtbank Noord-Holland heeft op 15 mei 2025 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen verdachte die werd verdacht van flessentrekkerij en subsidiair diefstal. Primair werd hem ten laste gelegd dat hij een gewoonte zou hebben gemaakt van het kopen van goederen zonder te betalen, door consumpties te nuttigen in een restaurant zonder te betalen. Subsidiair werd hem diefstal ten laste gelegd wegens het wegnemen van consumpties.

De rechtbank oordeelde dat het primair ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen kon worden omdat er slechts sprake was van één incident en niet van een meervoud van handelingen die een gewoonte zouden vormen. Voor flessentrekkerij is immers vereist dat sprake is van een gewoonte.

Ook subsidiair werd de verdachte vrijgesproken omdat voor diefstal een wegnemingshandeling vereist is, en de rechtbank oordeelde dat door de verdachte een onjuiste voorstelling van zaken is gegeven waardoor de consumpties zijn afgegeven, hetgeen niet als wegneming kwalificeert. De rechtbank wees op het feit dat dit mogelijk oplichting zou kunnen zijn, maar dat dit niet aan verdachte ten laste was gelegd.

Daarnaast werd een vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke geldboete wegens belediging van een ambtenaar afgewezen omdat de verdachte werd vrijgesproken en de proeftijd nog liep. De rechtbank verklaarde het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in die vordering en hief het bevel tot voorlopige hechtenis op.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van flessentrekkerij en diefstal wegens ontbreken van gewoonte en wegnemingshandeling.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummers: 15/064166-25; 13/157731-24 (tul) (P)
Uitspraakdatum: 15 mei 2025
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 15 mei 2025 in de zaak tegen:
[naam verdachte],
geboren op [geboortedatum] te Amsterdam,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres],
thans gedetineerd in Justitieel Complex Zaanstad.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. B. Rademacher en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman, mr. P.P. van Rhijn, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
primair
hij op of omstreeks 28 februari 2025 te Zaandam, althans in Nederland, een beroep of een gewoonte heeft gemaakt van het kopen van goederen met het oogmerk om zonder volledige betaling zich en/of een ander de beschikking over die goederen te verzekeren, door bij restaurant [naam restaurant] een of meerdere consumpties (vier cocktails en/of een portie kaasstengels) te bestellen en/of te nuttigen, zonder dat hij daarvoor heeft betaald of zonder dat hij daarvoor voldoende geld op zak had;
subsidiair
hij op of omstreeks 28 februari 2025 te Zaandam, gemeente Zaanstad een of meerdere consumpties (vier cocktails en/of een portie kaasstengels), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [naam restaurant], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

2.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd kennis te nemen van de zaak, de officier van justitie is ontvankelijk en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3.Standpunten van partijen

3.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit en tot oplegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren, zonder aftrek van voorarrest.
3.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3
VrijspraakPrimair
Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte primair ten laste is gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken. Uit de wettekst van artikel 326a van het Wetboek van Strafrecht (Sr) blijkt dat een van de bestanddelen van ‘flessentrekkerij’ is dat iemand een beroep of gewoonte maakt van het – kort gezegd – kopen zonder te betalen. Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘gewoonte’ moet sprake zijn van een meervoud van handelingen waartussen een verband bestaat. Het tenlastegelegde feit betreft één incident, namelijk het zonder betaling nuttigen van consumpties op 28 februari 2025 bij restaurant [naam restaurant] in Zaandam. Nu geen sprake is van een meervoud van handelingen, kan niet worden bewezen dat hier sprake is van een gewoonte.
Subsidiair
Naar het oordeel van de rechtbank is ook niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte subsidiair ten laste is gelegd. De rechtbank overweegt dat voor een bewezenverklaring van diefstal op grond van artikel 310 Sr Pro sprake moet zijn van een wegnemingshandeling. Nu de verdachte een ander door een onjuiste voorstelling van zaken heeft bewogen tot de afgifte van consumpties, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een wegnemingshandeling. De handelingen van de verdachte kunnen mogelijk worden gekwalificeerd als oplichting, maar dit is niet aan hem ten laste gelegd. De rechtbank zal de verdachte dan ook eveneens vrijspreken van het aan hem subsidiair ten laste gelegde feit.

4.Vordering tot tenuitvoerlegging

Bij vonnis van 10 juni 2024 in de zaak met parketnummer 13/157731-24 heeft de politierechter te Amsterdam de verdachte ter zake van belediging van een ambtenaar in functie veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke geldboete ter hoogte van € 300,-. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 28 juni 2024 aan de verdachte toegezonden. De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 25 juni 2024 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd.
De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie, gelet op het feit dat de verdachte wordt vrijgesproken, daarin niet-ontvankelijk is.

5.Beslissing

De rechtbank:
verklaart niet bewezen wat aan de verdachte is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 13/157731-24;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. G. Elst, voorzitter,
mr. G.M.G. Hink en mr. M. Rigter, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. S. Maerman,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 15 mei 2025.