ECLI:NL:RBNHO:2025:7185

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
28 mei 2025
Publicatiedatum
27 juni 2025
Zaaknummer
11320154 \ CV EXPL 24-6670
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 Brussel I bis-VerordeningArt. 2 RvArt. 1:10 lid 2 BWArt. 1:14 BWArt. 6a Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling onbevoegdheid Nederlandse rechter bij vluchtcombinatie met beginpunt in Duitsland

AirHelp Germany GmbH heeft een vordering ingesteld tegen Delta Air Lines Inc. De vervoerder stelde een incidentele vordering tot onbevoegdheid in, stellende dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is omdat het beginpunt van de vlucht Hamburg (Duitsland) was.

De rechtbank beoordeelde de rechtsmacht aan de hand van de Brussel I bis-Verordening en het Nederlandse procesrecht. De statutaire zetel van de vervoerder is in de Verenigde Staten, en het kantoor in Schiphol was niet betrokken bij de vlucht, waardoor geen woonplaats in Nederland aanwezig is.

Verder is vastgesteld dat de plaats van uitvoering van de verbintenis niet in Nederland ligt omdat de vlucht begon in Duitsland. Daarom is de Nederlandse rechter onbevoegd om van het geschil kennis te nemen.

De vordering tot onbevoegdheid wordt toegewezen en AirHelp wordt veroordeeld in de kosten van het incident. De rechtbank verklaart zich in de hoofdzaak onbevoegd.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd en wijst de vordering tot onbevoegdheid toe.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11320154 \ CV EXPL 24-6670
Uitspraakdatum: 28 mei 2025
Vonnis in het incident in de zaak van:
de vennootschap naar het recht harer vestiging
AirHelp Germany GmbH,
gevestigd te Berlijn (Duitsland),
eiseres in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
hierna te noemen: AirHelp,
gemachtigde: mr. D.E. Lof,
tegen
de buitenlandse vennootschap
Delta Air Lines Inc.,
gevestigd te Wilmington (Verenigde Staten van Amerika) en kantoorhoudende te Schiphol,
gedaagde in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
hierna te noemen: de vervoerder,
gemachtigden: mr. M. Lustenhouwer.

1.Het procesverloop

1.1.
AirHelp heeft bij dagvaarding van 3 september 2024 een vordering tegen de vervoerder ingesteld. De vervoerder heeft een incidentele conclusie strekkende tot onbevoegdheid genomen.
1.2.
Hoewel daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, heeft AirHelp niet gereageerd.

2.De vordering in het incident

2.1.
De vervoerder heeft de kantonrechter verzocht zich onbevoegd te verklaren, omdat de Nederlandse rechter niet bevoegd is kennis te nemen van de vordering van AirHelp, met veroordeling van AirHelp in de kosten van het incident. Hij stelt daartoe dat hij Daamini Visaalaakshi (hierna: de passagier) moest vervoeren van Hamburg (Duitsland), via Amsterdam naar Atlanta (Verenigde Staten van Amerika). Er is geen aanknopingspunt om aan te nemen dat de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van deze zaak.

3.De beoordeling in het incident

3.1.
In het incident staat de vraag centraal of de Nederlandse rechter, meer specifiek de rechtbank Noord-Holland bevoegd is kennis te nemen van het geschil dat tussen partijen is gerezen.
3.2.
De kantonrechter stelt voorop dat in dit geval ingevolge artikel 6 van Pro de Brussel I bis-Verordening de rechtsmacht van de Nederlandse rechter moet worden beoordeeld aan de hand van het Nederlandse procesrecht. Ingevolge artikel 2 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht als de gedaagde in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft. De woonplaats van een rechtspersoon is ingevolge artikel 1:10 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) daar waar hij zijn statutaire zetel heeft. Vast staat dat de statutaire zetel van de vervoerder is gelegen in de Verenigde Staten van Amerika, zodat hij op grond van artikel 1:10 lid 2 BW Pro geen woonplaats heeft in Nederland als bedoeld in artikel 2 Rv Pro. Vervolgens moet worden beoordeeld of de vervoerder op grond van artikel 1:14 BW Pro mede woonplaats heeft op zijn kantoor te Schiphol. Gesteld noch gebleken is dat het kantoor van de vervoerder op Schiphol enige betrokkenheid heeft gehad bij het vervoer van de passagier dan wel de uitvoering van de vlucht, zodat de bevoegdheid van de Nederlandse rechter evenmin op artikel 1:14 BW Pro kan worden gebaseerd.
3.3.
Op grond van artikel 6, aanhef en sub a Rv heeft de Nederlandse rechter eveneens rechtsmacht in zaken betreffende verbintenissen uit overeenkomst, indien de verbintenis die aan de eis of het verzoek ten grondslag ligt, in Nederland is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd. Ingevolge artikel 6a aanhef en sub b Rv is voor de toepassing van artikel 6, onderdeel a, Rv tenzij anders is overeengekomen, de plaats van uitvoering in Nederland gelegen voor de verstrekking van diensten, indien de diensten volgens de overeenkomst in Nederland verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden. Omdat de stelling van de vervoerder dat het beginpunt van de vluchtcombinatie Hamburg (Duitsland) was door AirHelp niet is betwist, is dit komen vast te staan. De Nederlandse rechter is daarom onbevoegd om van het geschil kennis te nemen.
3.4.
Gelet op het voorgaande is de kantonrechter onbevoegd om van de vordering van AirHelp kennis te nemen.
3.5.
AirHelp zal worden veroordeelt in de kosten van het incident, die aan de kant van de vervoerder worden vastgesteld op € 82,00.

4.De beslissing

In het incident:
4.1.
wijst de vordering toe;
4.2.
veroordeelt AirHelp in de kosten van het incident, aan de zijde van de vervoerder vastgesteld op € 82,00;
4.3.
veroordeelt AirHelp – voor wat betreft de kosten in het incident – uitvoerbaar bij voorraad;
In de hoofdzaak:
4.4.
verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van de onderhavige vordering.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Kleij, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter