ECLI:NL:RBNHO:2025:7187

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
18 juni 2025
Publicatiedatum
27 juni 2025
Zaaknummer
11305209 \ CV EXPL 24-6413
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:7 BWArt. 3:82 BWArt. 3:83 BWVerordening (EG) nr. 261/2004ECLI:EU:C:2024:194
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontvankelijkheid AirHelp in beroep tegen weigering compensatie op grond van EU-verordening

AirHelp vordert betaling van €600,- compensatie plus proceskosten van Qatar Airways wegens een vertraagde vlucht die leidde tot een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming. De passagier had zijn vorderingsrecht op compensatie rechtsgeldig aan AirHelp overgedragen via cessie.

Qatar Airways betwist de overdraagbaarheid van de compensatievordering, stellende dat het een persoonlijk recht betreft dat niet overdraagbaar is en dat de cessieovereenkomst geen betrekking heeft op compensatie op grond van de EU-verordening.

De kantonrechter oordeelt dat de vordering tot compensatie een overdraagbaar vorderingsrecht betreft en dat de cessie rechtsgeldig is. De vordering tot niet-ontvankelijkheid van AirHelp wordt afgewezen en Qatar Airways wordt veroordeeld in de proceskosten. De hoofdzaak wordt aangehouden tot de rolzitting van 16 juli 2025.

Uitkomst: AirHelp is ontvankelijk verklaard in haar vordering tot compensatie en het incident van Qatar Airways wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11305209 \ CV EXPL 24-6413
Uitspraakdatum: 18 juni 2025
Vonnis van de kantonrechter in het incident in de zaak van:
de vennootschap naar het recht harer vestiging
AirHelp Germany GmbH
gevestigd te Berlijn (Duitsland)
eiseres
hierna te noemen: AirHelp
gemachtigde: mr. D.E. Lof
tegen
de buitenlandse vennootschap
Qatar Airways Group (Q.C.S.C.)
gevestigd te Doha (Qatar)
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. J.J. Croon

1.Het procesverloop

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding:
- het incident;
- het antwoord incident.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De vordering

2.1.
AirHelp vordert dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van € 600,00 en de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente. AirHelp legt aan de vordering ten grondslag dat de passagier [betrokkene] (hierna: de passagier) een overeenkomst heeft gesloten voor een vlucht op 17 februari 2024 van Amsterdam-Schiphol Airport naar Auckland Airport, Auckland (Australië), via Hamad International Airport, Doha (Qatar). De vlucht van Doha naar Auckland is vertraagd uitgevoerd, waardoor de passagier zijn aansluitende vlucht naar de eindbestemming heeft gemist en met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming is aangekomen. De passagier heeft door middel van cessie zijn vermeende vorderingsrecht overgedragen aan AirHelp. Op grond van de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) stelt AirHelp dat de vervoerder gehouden is de compensatie te betalen conform artikel 7 van Pro de Verordening tot een bedrag van € 600,00.

3.De vordering en het verweer in het incident

3.1.
De vervoerder vordert in het incident dat AirHelp niet-ontvankelijk moet worden verklaard, dan wel dat AirHelp de vordering moet worden ontzegd, met veroordeling van AirHelp in de proceskosten en de nakosten.
3.2.
De vervoerder legt aan de vordering onder meer ten grondslag dat de vordering tot compensatie niet rechtsgeldig aan AirHelp is gecedeerd. De vordering tot compensatie betreft geen schadevergoeding, maar een persoonlijke aanspraak van de passagier jegens de vervoerder voor een door hem/haar geleden ongemak als gevolg van tijdverlies. De vordering tot compensatie is niet overdraagbaar, omdat deze aanspraak te zeer met de persoon van de passagier is verbonden en de aard van de aan die aanspraak ten grondslag liggende rechtsverhouding zich tegen een overdracht verzet. Evenmin is een overdraagbaar vorderingsrecht in het leven geroepen, op grond waarvan uitoefening van de passagier zijn wilsrecht c.q. zelfstandige bevoegdheid tot aanspraak op compensatie op grond van de Verordening rechtens is af te dwingen. De Verordening noch de wet bepaalt dat dit wilsrecht overdraagbaar is. [1] Verder is sprake van een afhankelijk recht dat niet zelfstandig kan bestaan en naar haar aard niet zelfstandig overdraagbaar is [2] .
Subsidiair stelt de vervoerder dat de ‘Assignment Agreement’ niet een cessie van de compensatievordering inhoudt, omdat dat document spreekt van (1) compensatie voor financieel verlies en (2) schadevergoeding. Compensatie op grond van artikel 7 van Pro de Verordening valt daar niet onder.
3.3.
AirHelp betwist de vordering. Zij voert aan dat uit de wet, jurisprudentie en/of literatuur niet volgt dat de vordering tot compensatie niet gecedeerd mag worden. Het Hof heeft recentelijk geoordeeld dat de Verordening een cessie niet in de weg staat. [3] De gevorderde compensatie moet daarnaast worden beschouwd als een forfaitair geldbedrag. Het verschil tussen ‘schadevergoeding’ en ‘compensatie’ speelt geen noemenswaardige rol voor wat betreft de mogelijkheid van cessie. In het onderhavige geval heeft de passagier de vordering tot compensatie op 5 april 2024 rechtsgeldig overgedragen aan AirHelp.

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
AirHelp is ontvankelijk in haar vordering
4.2.
De compensatie betreft een vordering tot vergoeding van forfaitair berekende schade [4] en is daarmee geen persoonlijk of wilsrecht, zoals de vervoerder stelt, maar een vorderingsrecht. Een vorderingsrecht is overdraagbaar, tenzij de wet of de aard van het recht zich tegen een overdracht verzet [5] . Daarvan is in dit geval geen sprake. Dat het hier gaat om compensatie van een door de passagier ervaren ongemak als gevolg van de vertraging of annulering, maakt niet dat sprake is van een zodanig persoonlijk recht dat deze zich tegen overdracht van de vordering aan AirHelp verzet. De stellingen van de vervoerder, zoals uiteengezet in overweging 3.2., slagen daarom niet. De vordering tot het niet-ontvankelijk verklaren van AirHelp is niet toewijsbaar.
De passagier heeft zijn vorderingsrecht overgedragen aan AirHelp
4.3.
Voor zover de vervoerder stelt dat uit de ‘Assignment Agreement’ niet volgt dat de vordering tot compensatie niet is overgedragen, houdt dit geen stand. In de ‘Assignment Agreement’ van 5 april 2024 staat onder meer: “
This assignment includes the Costumer’s legal rights to claim for compensation due to financial loss, damages, or reimbursement under Regulation (EC) 261/2004,(…)”. Hieruit volgt genoegzaam dat de vordering tot compensatie op grond van de Verordening door de passagier aan AirHelp is overgedragen.
De proceskostenveroordeling
4.4.
De vervoerder zal grotendeels in het ongelijk worden gesteld. Daarom zal hij worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

5.De beslissing

De kantonrechter
in het incident:
5.1.
wijst de vorderingen van de vervoerder af;
5.2.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor de passagier worden vastgesteld op een bedrag van € 135,00 aan salaris van de gemachtigde van de passagier.
in de hoofdzaak:
5.1.
verwijst de zaak naar de rolzitting van
woensdag 16 juli 2025voor conclusie van antwoord;
5.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter

Voetnoten

1.Op grond van artikel 3:83 (lid 1 en lid 3) van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
2.Op grond van artikel 3:7 jo Pro 3:82 BW.
3.Waarbij AirHelp verwijst naar ECLI:EU:C:2024:194.
4.Zie ook het arrest van 7 november 2019 (Guaitoli e.a., C-213/18), overweging 44.
5.Op grond van artikel 3:83 BW Pro.