In deze zaak vordert de familie dat dochter en zoon medehuurder worden van de woning die hun moeder huurt. De kantonrechter oordeelt dat zij een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren en dat aan de overige wettelijke voorwaarden is voldaan, zodat de vordering wordt toegewezen.
Moeder huurt de woning sinds 1986 en is sinds het overlijden van haar echtgenoot in 2022 de enige huurder. Dochter woont vrijwel onafgebroken in de woning vanwege haar verstandelijke beperking en is aangewezen op zorg. Zoon woont sinds 2019 weer bij zijn moeder en dochter en verzorgt de zorg voor dochter. De kantonrechter stelt vast dat er sprake is van een hecht gezinsverband met wederkerige bijdragen, ook al levert dochter geen huishoudelijke taken vanwege haar beperkingen.
Woonwaard voerde verweer dat geen duurzame gemeenschappelijke huishouding bestaat en dat dochter onvoldoende financiële waarborg biedt. Deze verweren worden verworpen. De kantonrechter concludeert dat de samenwoning duurzaam is, er voldoende financiële waarborg is en dat de vordering tot medehuurderschap toewijsbaar is. De vordering tot verstrekking van een huisvestingsvergunning wordt afgewezen als prematuur. Woonwaard wordt veroordeeld in de proceskosten.