De rechtbank Noord-Holland behandelde op 26 juni 2025 de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van medeplegen afpersing, poging tot afpersing en wederrechtelijke vrijheidsberoving op 17 april 2024 te Zaandam. De tenlastelegging omvatte onder meer bedreigingen met een vuurwapen, het tonen van een vuurwapen, en het slaan van het slachtoffer.
De aangever deed meerdere verklaringen waarin hij stelde urenlang tegen zijn wil in een woning te zijn gehouden, gedwongen tot afgifte van huissleutels, telefoon en paspoort, en bedreigd met geweld. De rechtbank achtte de verklaring van de aangever betrouwbaar, ondanks enkele inconsistenties.
Echter, op grond van artikel 342, tweede lid Sv, is de verklaring van één getuige onvoldoende zonder aanvullend steunbewijs. De rechtbank vond het dossier onvoldoende steunbewijs bevatten: de foto van het letsel was niet overtuigend, het aangetroffen vuurwapen was tien dagen later gevonden en niet identiek aan het beschreven wapen, videobeelden en chatberichten boden geen bevestiging van dwang of bedreiging.
De rechtbank concludeerde dat niet wettig en overtuigend bewezen kon worden dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan en sprak hem vrij.