De rechtbank Noord-Holland behandelde een verzoek tot ontslag van de huidige bewindvoerder en mentor, de moeder van betrokkene, en de benoeming van een opvolgend bewindvoerder en mentor, de broer van betrokkene. De zus van betrokkene maakte bezwaar tegen deze benoeming omdat zij twijfelt of de broer de legitieme portie zal opeisen na het overlijden van de moeder, wat volgens haar niet in het belang van betrokkene is.
De kantonrechter nam kennis van het verzoekschrift, het verweerschrift en aanvullende stukken, en hield een mondelinge behandeling waarbij de verzoeker, de huidige bewindvoerder/mentor en de belanghebbende (zus) verschenen. Betrokkene zelf kon niet verschijnen. De kantonrechter stelde vast dat betrokkene niet in staat is zijn voorkeur kenbaar te maken en dat de broer en zus afzonderlijk verzoeken tot benoeming indienden.
De rechtbank oordeelde dat de band tussen de broer en betrokkene sterker is dan die tussen de zus en betrokkene, mede omdat de broer frequenter contact onderhoudt. De kantonrechter wees erop dat een bewindvoerder verplicht is jaarlijks verantwoording af te leggen en aanspraak moet maken op de legitieme portie tenzij de kantonrechter machtiging geeft dit niet te doen. De broer werd benoemd tot bewindvoerder en mentor, het verzoek van de zus werd afgewezen en de huidige bewindvoerder/mentor werd ontslagen met ingang van twee weken na de uitspraak.