Bij beschikking van 30 januari 2006 werd bewind ingesteld over de goederen van betrokkene wegens zijn geestelijke of lichamelijke toestand. Op 24 januari 2025 werd Engels benoemd tot bewindvoerder na het ambtshalve ontslag van de voorgaande bewindvoerder. Vanwege spoedeisendheid werd de familie niet eerst gehoord over deze benoeming.
De familie van betrokkene gaf een dag na de door de rechtbank gestelde deadline hun voorkeur voor een andere bewindvoerder door, M. Baadid, met wie zij een goede vertrouwensband hadden en die geografisch gunstiger gevestigd is. Engels maakte bezwaar tegen haar ontslag en vroeg om de kans een goede samenwerking op te bouwen, maar voerde ter zitting geen verweer meer.
De kantonrechter oordeelde dat het verzoek tot ontslag van Engels en benoeming van Baadid moet worden toegewezen omdat er geen gegronde bezwaren tegen de benoeming waren. De kantonrechter stelde de beloning van beide bewindvoerders vast en verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.