ARAG heeft namens passagiers terugbetaling gevorderd van ticketprijzen van geannuleerde vluchten van en naar Thailand, op basis van Verordening (EG) nr. 261/2004 en het Burgerlijk Wetboek. De vervoerder stelde dat hij niet hoefde terug te betalen omdat hij al had terugbetaald aan D-Reizen, het reisbureau dat inmiddels failliet is.
De rechtbank oordeelde dat de Verordening alleen van toepassing is op de heenvlucht vanaf een EU-luchthaven, niet op de terugvlucht vanuit Thailand omdat de vervoerder geen communautaire luchtvaartmaatschappij is. De vervoerder kon niet aantonen dat de passagiers hun boeking zelf hadden geannuleerd. De terugbetaling aan D-Reizen is niet bevrijdend, omdat geen uitdrukkelijke machtiging bestond dat D-Reizen de restitutie namens passagiers mocht innen.
Subsidiair stelde ARAG ontbinding van de vervoersovereenkomst op grond van tekortkoming, maar dit werd afgewezen wegens gebrek aan ontbindingsverklaring. De vordering werd daarom voor de helft toegewezen, zijnde het bedrag van de heenvlucht. De wettelijke rente werd toegewezen vanaf 5 juni 2021, na sommatie. Buitengerechtelijke incassokosten werden beperkt toegewezen tot het wettelijke tarief. Proceskosten werden gecompenseerd.