De dierenarts [eiser] was sinds 2019 in dienst bij Evidensia en had in 2024 een concurrentie- en relatiebeding in zijn arbeidsovereenkomst opgenomen. Na zijn vertrek per 1 februari 2025 richtte hij samen met oud-collega's een concurrerende praktijk op binnen 10 km van Evidensia.
[Eiser] vorderde schorsing van het concurrentiebeding om per 7 juli 2025 bij Topdierenkliniek te kunnen werken, stellende dat hij onbillijk wordt benadeeld omdat hij een aanmerkelijke positieverbetering zal bereiken en er een tekort aan dierenartsen is. Evidensia stelde dat het concurrentiebeding noodzakelijk is ter bescherming van haar bedrijfsdebiet en dat [eiser] klanten en personeel heeft weggenomen.
De kantonrechter oordeelde dat het concurrentiebeding rechtsgeldig is, maar dat [eiser] een zwaarwegend belang heeft bij schorsing, onder meer vanwege zijn nieuwe rol als mede-eigenaar en de kennelijke tekorten in de regio. Evidensia kon onvoldoende aantonen dat zij een bijzonder belang had bij handhaving. De schorsing van het relatiebeding werd afgewezen wegens gebrek aan belang.
Evidensia werd veroordeeld in de proceskosten. De schorsing geldt voorlopig totdat in een bodemprocedure uitspraak wordt gedaan.