Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2025:8066

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
1 juli 2025
Publicatiedatum
16 juli 2025
Zaaknummer
HAA 23/78
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid en ongegrondverklaring beroepen tegen aanslagen inkomstenbelasting 2021 en 2022

De rechtbank Noord-Holland behandelde drie zaken van eiser tegen de Belastingdienst betreffende aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2021 en 2022.

De eerste twee beroepen werden niet-ontvankelijk verklaard omdat zij werden ingediend voordat verweerder uitspraak op bezwaar had gedaan, waardoor de beroepstermijn nog niet was aangevangen. In de derde zaak werd het beroep ongegrond verklaard omdat de aanslag correct was vastgesteld en eiser geen inhoudelijke bezwaren had ingebracht.

Tijdens de zitting gaf eiser aan dat hij boos is over een faillissement uit 1998 en de toeslagenaffaire, maar erkende dat de inspecteur de aanslagen correct had vastgesteld. De rechtbank benadrukte dat het werkelijke probleem van eiser voortkomt uit langdurige frustratie die niet via deze procedures kan worden opgelost, en adviseerde mediation.

De rechtbank wees proceskostenvergoeding af en bevestigde dat er geen sprake was van onrechtmatig handelen door de Belastingdienst. De uitspraak werd gedaan door rechter J. Snitker op 1 juli 2025.

Uitkomst: De rechtbank verklaart twee beroepen niet-ontvankelijk en het derde beroep ongegrond wegens correcte vaststelling van de aanslag.

Uitspraak

Rechtbank noord-holland
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: HAA 23/78, HAA 23/6882 en HAA 24/4849

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 1 juli 2025 in de zaak tussen

[eiser] te [woonplaats] , eiser

en

de inspecteur van de Belastingdienst (hierna: verweerder),

Beslissing

HAA 23/78
De rechtbank verklaart het beroep tegen de uitspraak op het bezwaarschrift tegen de
aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) 2021 niet-ontvankelijk.
HAA 23/6882
De rechtbank verklaart het beroep tegen de tegen de definitieve aanslag IB/PVV 2022 niet-ontvankelijk.
HAA 24/4849
De rechtbank verklaart het beroep tegen de uitspraak op het bezwaarschrift tegen de aanslag IB/PVV 2022 ongegrond.

Overwegingen

Onderzoek ter zitting
Het onderzoek vond plaats op 24 juni 2025 in de woning van eiser die daarbij in persoon aanwezig was; verweerder heeft met een videoverbinding aan het onderzoek deelgenomen.
Inleiding
Eiser is al jarenlang in gevecht met de Belastingdienst. Hij is boos omdat de Belastingdienst hem, naar eigen zeggen, bij zijn faillissement in 1998 onrecht heeft aangedaan. Sinds 2009 gaat hij tegen iedere belastingaanslag in bezwaar en in beroep en voert klachten aan die niets met de eigenlijke belastingaanslag te maken hebben. In deze procedures vordert eiser € 310.000 aan schadevergoeding omdat hij zegt benadeeld te zijn in de toeslagenaffaire. De beroepschriften van eiser inclusief de talrijke aanvullingen en bijlagen zijn omvangrijk: het voorliggende dossier beslaat ongeveer 2700 pagina’s. En eiser kondigde aan hij pas zal stoppen met het voeren van zinloze dure en tijdrovende procedures nadat hij een excuusbrief van de Belastingdienst heeft ontvangen. Hij voert deze strijd alleen en op deze manier omdat hij zich geen advocaat kan veroorloven.
Kern van het probleem en hoe nu verder
Volgens eiser hangen de toeslagen die hij ontvangt onlosmakelijk samen met zijn fiscale inkomen, en is verweerder dan ook aanspreekbaar voor problemen die hij met de Dienst Toeslagen ervaart. Dit is gedeeltelijk waar. Er bestaat inderdaad een verband tussen de hoogte van de toeslagen die eiser ontvangt en zijn fiscale inkomen, omdat de Dienst Toeslagen zich baseert op financiële gegevens van de Belastingdienst. In zoverre heeft eiser gelijk. Maar verweerder heeft geen bemoeienis met de vaststelling en uitbetaling van de huur- en zorgtoeslag, dat doet de Dienst Toeslagen als ‘zelfstandig onderdeel van het ministerie van Financiën.’ Anders dan eiser aanvoert is verweerder dus niet aanspreekbaar voor wat de Dienst Toeslagen doet.
De kern van het probleem: woede en frustratie richting de Belastingdienst die stamt uit de tijd waarin eiser met een persoonlijk faillissement te kampen had, en die eiser projecteert op de medewerker van de Belastingdienst die nu zijn aanslagen inkomstenbelasting vaststelt.
Dat probleem kan in deze procedure niet worden opgelost. Om dat probleem op te lossen moet het eerst goed worden geanalyseerd. Vervolgens is het misschien mogelijk om in een of meer gesprekken tussen eiser en de verantwoordelijke personen nader tot elkaar te komen - met wellicht de door eiser gewenste excuusbrief als gevolg. Uit de probleemanalyse moet blijken wie de hiervoor bedoelde verantwoordelijken zijn (de Dienst Toeslagen, de Ontvanger, de inspecteur?). Het zou goed zijn als die gesprekken plaatsvinden onder begeleiding van een onafhankelijke bemiddelaar, een mediator. En het zou goed zijn als de Belastingdienst daartoe het initiatief neemt.
Inhoudelijk
Tijdens de zitting heeft eiser verklaard dat de inspecteur zijn aanslagen inkomstenbelasting correct heeft vastgesteld. Hij heeft dan ook geen inhoudelijke argumenten ingebracht tegen het standpunt dat de Belastingdienst in deze zaken inneemt. Ook de rechtbank kan zich na bestudering van het dossier verenigen met de fiscaal-juridische analyse van verweerder. Die komt kort gezegd neer op het volgende.
HAA 23/78
Eiser maakte op 23 november 2022 bezwaar tegen de aan hem opgelegde aanslag IB/PVV 2021. Op 30 november 2022 stelde hij beroep in. Tussen deze twee momenten is er geen contact geweest tussen eiser en verweerder en verweerder nog geen uitspraak op het bezwaar gedaan. Eiser kon ook niet menen dat dit al was gebeurd. Het beroep is ingediend voor het begin van de beroepstermijn en is daarom niet-ontvankelijk.
HAA 23/6882
Ook in deze zaak, die gaat over de aanslag IB/PVV 2022 van eiser, is beroep ingesteld voor aanvang van de beroepstermijn en kon eiser niet hebben gemeend dat er al op zijn bezwaar was beslist. Ook dit beroep is om die reden niet-ontvankelijk.
HAA 24/4849
Deze zaak gaat over de aan eiser opgelegde aanslag IB/PVV 2022. Partijen zijn het erover eens dat verweerder deze aanslag op het juiste bedrag heeft vastgesteld. De rechtbank heeft geen reden hier anders over te oordelen en sluit zich hierbij aan. Verweerder heeft eiser bij het vaststellen van deze aanslag en bij het doen van uitspraak op bezwaar correct bejegend en van strijd met enig beginsel van behoorlijk bestuur is in deze zaak geen sprake geweest. Dat eiser in verband met de behandeling van zijn aanslag IB/PVV 2022 aanspraak maakt op een schadevergoeding, is niet aannemelijk geworden. Het beroep is daarom ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Snitker, rechter, in aanwezigheid van F.S. Anderson, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2025.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).