ECLI:NL:RBNHO:2025:8378

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
22 juli 2025
Publicatiedatum
22 juli 2025
Zaaknummer
C/15/355227 / FA RK 24-3896
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling en verzoeken tot verhuizing en zorgregeling in een complexe echtscheiding met minderjarigen

In deze zaak heeft de Rechtbank Noord-Holland op 22 juli 2025 uitspraak gedaan in een complexe echtscheiding met betrekking tot de minderjarigen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2]. De rechtbank heeft de verzoeken van de moeder tot vervangende toestemming voor verhuizing, inschrijving in de Basisregistratie Personen (BRP) en schoolinschrijving afgewezen. Tevens zijn de verzoeken van de vader tot bepaling van de hoofdverblijfplaats en vaststelling van een zorgregeling afgewezen. De Raad voor de Kinderbescherming heeft verzocht om de minderjarigen onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar, wat door de rechtbank is toegewezen. De rechtbank heeft vastgesteld dat er sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging voor de kinderen, die zich in een loyaliteitsconflict bevinden tussen de ouders. De ouders zijn na hun scheiding niet in staat gebleken om constructief samen te werken, wat de ontwikkeling van de kinderen ernstig bedreigt. De rechtbank heeft de ondertoezichtstelling noodzakelijk geacht om de situatie van de kinderen te verbeteren en hen te beschermen tegen de gevolgen van de conflicten tussen de ouders. De rechtbank heeft ook benadrukt dat het in het belang van de kinderen is dat zij in hun huidige omgeving blijven, zodat contactherstel met de vader mogelijk is. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat deze direct van kracht is, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd
Locatie Haarlem
Zaaknummers: C/15/364673 / JU RK 25-580 en C/15/355227 / FA RK 24-3896
Datum uitspraak: 22 juli 2025
Beschikking van de meervoudige kamer over een ondertoezichtstelling, vervangende toestemming voor verhuizing, BRP- en schoolinschrijving, bepaling hoofdverblijfplaats en vaststelling zorgregeling
in de zaak met zaaknummer C/15/364673 / JU RK 25-580 van
de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen de Raad,
gevestigd te Haarlem,
over de minderjarigen
[de minderjarigen]:
  • [de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] in [plaats] , hierna te noemen [de minderjarige 1] ,
  • [de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] in [plaats] , hierna te noemen [de minderjarige 2] ,
hierna gezamenlijk te noemen de kinderen,
waarin als belanghebbenden zijn aangemerkt:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats] ,
advocaat mr. J. de Haan, kantoorhoudende te Alkmaar,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats] ,
advocaat mr. R.A. Korver, kantoorhoudende te Amsterdam.
en waarin als informant is aangemerkt:
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
gevestigd te Amsterdam,
en in de zaak met zaaknummer C/15/355227 / FA RK 24-3896 van de moeder tegen de vader, waarin de Raad als informant is aangemerkt.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt in de zaak met zaaknummer C/15/364673 / JU RK 25-580 de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift, met bijlagen, van de Raad van 24 april 2025, ontvangen op dezelfde datum;
  • de brief, met producties 29 tot en met 32, van de advocaat van de moeder van 2 juli 2025, ontvangen op dezelfde datum.
1.2.
Het verloop van de procedure in de zaak met zaaknummer C/15/355227 / FA RK 24-3896 blijkt uit:
  • de beschikking van de meervoudige kamer voor familiezaken van 26 november 2024 en de daarin vermelde stukken;
  • de brief van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 23 januari 2025, ontvangen op 24 januari 2025;
  • het emailbericht van de Raad van 24 februari 2025;
  • de brief van de advocaat van de moeder van 21 maart 2025, ontvangen op 25 maart 2025;
  • de brief van de Raad van 24 maart 2025, ontvangen op 31 maart 2025;
  • de brief van de Raad van 23 april 2025, ontvangen op 24 april 2025, met het raadsrapport van 22 april 2025 (met bijlagen) als bijlage;
  • de brief, met producties 27 en 28, van de advocaat van de moeder van 21 mei 2025;
  • de brief, met producties 10 en 11, van de advocaat van de vader van 21 mei 2025;
  • de brief, met producties 29 tot en met 32, van de advocaat van de moeder van 2 juli 2025, ontvangen op dezelfde datum;
  • de brief, met producties 12 tot en met 17, van de advocaat van de vader van 2 juli 2025, ontvangen op dezelfde datum;
  • het emailbericht van de advocaat van de moeder van 2 juli 2025, ontvangen op dezelfde datum;
  • de brief van de advocaat van de vader van 7 juli 2025, ontvangen op dezelfde datum.
1.3.
Bij voornoemde beschikking van 26 november 2024 is de behandeling van de zaak met zaaknummer C/15/355227 / FA RK 24-3896 pro forma aangehouden tot 26 februari 2025, in afwachting van de resultaten van het onderzoek van de Raad naar de hoofdverblijfplaats en zorgregeling. Vervolgens heeft de Raad op 22 april 2025 een adviesrapport uitgebracht.
1.4.
De gelijktijdige behandeling van beide zaken op zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 8 juli 2025. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder met haar advocaat;
  • de vader met zijn advocaat;
- de Raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .
1.5.
[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben bij hun respectievelijke brieven van 18 februari 2025 ongevraagd hun mening in de zaak met zaaknummer C/15/355227 / FA RK 24-3896 aan de rechtbank kenbaar gemaakt. De rechtbank heeft [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] op 24 juni 2025 naar hun mening in beide zaken gevraagd. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben hierover op 4 juli 2025 een gesprek gevoerd met de voorzitter van de meervoudige kader. Tijdens de zitting op 8 juli 2025 heeft de voorzitter samengevat wat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben geschreven en verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn op [huwelijksdatum] te [plaats] met elkaar gehuwd, welk huwelijk op [datum] is ontbonden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank van 1 mei 2024.
2.2.
De ouders zijn van rechtswege belast met het gezamenlijk gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] .
2.3.
[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] wonen bij de moeder. Bij beschikking van deze rechtbank van 8 januari 2024 heeft de voorzieningenrechter, met wijziging van de beschikking van 20 juli 2023, bepaald dat de kinderen aan de moeder worden toevertrouwd.
2.4.
[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben sinds 22 september 2023 geen contact met de vader. Bij voornoemde beschikking van 8 januari 2024 is bepaald dat contactherstel tussen de vader en de kinderen zal plaatsvinden volgens de (tijd)planning van de jeugdbescherming Purmerend rondom de omgang, waarbij in januari 2024 wordt gestart met omgang in de vorm van het tweewekelijks ondernemen van een activiteit buitenshuis door de vader met de kinderen en van daaruit wordt toegewerkt naar een reguliere en substantiëlere vorm van omgang, dit in overleg met de ouders en de jeugdbescherming. Het contact tussen de vader en de kinderen is tot op heden niet hersteld.
2.5.
De vader is op 31 augustus 2022 veroordeeld ter zake van mishandeling van de moeder, gepleegd op 17 april 2022.
2.6.
De moeder heeft in kort geding gevorderd te bepalen dat de vader dient toe te staan, althans te gedogen, voor de duur van het verzoek van de moeder in de bodemprocedure dat zij met de kinderen tijdelijk hun intrek mogen nemen bij de grootouders moederszijde in [plaats] en dat de kinderen tijdens hun verblijf aldaar, eveneens tijdelijk, mogen worden ingeschreven als leerling op het scholengemeenschap [scholengemeenschap] in [plaats] . De voorzieningenrechter in deze rechtbank heeft de vorderingen van de moeder bij vonnis in kort geding van 20 januari 2025 afgewezen.
2.7.
De moeder is bij vonnis van de politierechter in deze rechtbank van 19 mei 2025 veroordeeld ter zake van opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over hem gesteld gezag, gepleegd in de periode van 22 september 2023 tot en met 8 januari 2024 en in de periode van 10 januari 2025 tot en met 22 februari 2025.

3.Het verzoek van de Raad in de zaak met zaaknummer C/15/364673 / JU RK 25-580

3.1.
De Raad verzoekt [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De Raad verzoekt de ondertoezichtstelling uit te spreken voor de duur van zes maanden en de behandeling van het verzoek voor het overige aan te houden, in afwachting van het verloop van de op te starten hulpverlening en de naleving van de gemaakte afspraken.
3.2.
De Raad heeft het verzoek als volgt onderbouwd. Er is sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . Die bedreiging is gelegen in een zorgelijke sociaal-emotionele ontwikkeling van de kinderen. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] worden al lange tijd structureel blootgesteld aan strijd en juridische procedures tussen de ouders. Er heerst veel wantrouwen tussen de ouders en zij zijn niet in staat om met elkaar constructief te communiceren. De kinderen bevinden zich in een loyaliteitsconflict en zitten klem tussen de ouders, waardoor zij de noodzaak hebben gevoeld voor één ouder te kiezen, namelijk voor de moeder. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben sinds september 2023 geen contact met de vader. De kinderen wijzen de vader en zijn bredere omgeving, waaronder de grootouders vaderszijde met wie zij een goede band hadden, volledig af. De kinderen zijn zeer negatief over de vader en spreken over mishandelingen van de moeder en [de minderjarige 2] door de vader. Het is moeilijk in te schatten of dit een afspiegeling is van wat zij daadwerkelijk hebben meegemaakt, of dat deze uitspraken voortkomen uit het loyaliteitsconflict waar de kinderen in zitten.
3.3.
Het is van belang dat individuele psychologische hulpverlening voor zowel [de minderjarige 1] als [de minderjarige 2] acuut wordt ingezet, omdat beide kinderen zeer zorgelijke uitspraken doen. Daarnaast is het belangrijk dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] onder regie van Bureau Mars het gesprek aangaan met de vader, om vanuit daar het contact met hem weer op te bouwen. Ook dient het contact tussen de kinderen en de grootouders vaderszijde hersteld te worden. Tot slot moet er hulpverlening komen voor beide ouders om hen te ondersteunen en om zicht te krijgen op beide opvoedsituaties. Het is belangrijk dat de ouders gaan meewerken aan een SCHIP-aanpak om toe te werken naar partners in ouderschap, zodat zij dit kunnen uitstralen naar de kinderen.
3.4.
De ouders zijn op dit moment onvoldoende in staat onder eigen verantwoordelijkheid de ontwikkelingsbedreiging weg te nemen en de hulpverlening te accepteren. Ondanks de inzet van hulpverlening in het verleden en duidelijke juridische afspraken gericht op het gezamenlijk ouderschap, zijn de zorgen tot op heden niet verminderd. Het is daarom nodig dat er een regievoerder komt die ervoor zorgt dat de nodige hulpverlening wordt ingezet, en die samen met de ouders duidelijke afspraken maakt in het belang van de kinderen.
3.5.
De Raad heeft in aanvulling hierop op de zitting van 8 juli 2025 toegelicht dat een eerder raadsonderzoek in het najaar 2024 niet tot een verzoek tot ondertoezichtstelling heeft geleid omdat de Raad destijds geen ernstige ontwikkelingsbedreiging heeft geconstateerd. De kinderen leken destijds de meeste last te hebben van het steeds opnieuw een gesprek te moeten voeren over hun situatie. De Raad ziet nu meer zorgen over de sociaal-emotionele ontwikkeling van de kinderen en het loyaliteitsconflict waarin zij zich intussen bevinden. Voorts wijzen de kinderen nu ook de grotere omgeving van de vader, zoals de grootouders vaderszijde, af en neemt hun zwart-wit denken toe; zij lijken een steeds meer vertekend beeld te hebben gekregen van de situatie die zij hebben meegemaakt. De Raad is van mening dat deze zorgen nu wel een ernstige ontwikkelingsbedreiging vormen.
4.
De standpunten van de ouders in de zaak met zaaknummer C/15/364673 / JU RK 25-580
4.1.
Door en namens de moeder is verweer gevoerd tegen de verzochte ondertoezichtstelling. De moeder heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het verzoek van de Raad dient te worden afgewezen omdat er geen sprake is van een ontwikkelingsbedreiging van de kinderen.
De moeder heeft daarbij gewezen op het feit dat de Raad bij een eerder onderzoek heeft geconcludeerd dat er geen aanleiding was voor een ondertoezichtstelling. De kinderen doen het goed op school. De situatie waarin de kinderen zich nu bevinden is het gevolg van het niet mogen verhuizen naar [plaats] , en van de onveiligheid die zij ervaren omdat door de vader en verschillende instanties telkens niet erkend wordt wat de kinderen en de moeder in het verleden hebben meegemaakt. De kinderen moeten uit deze situatie worden gehaald, maar een dwangkader zal hen niet helpen, nu dit onderdeel is van de oorzaak van het probleem. De moeder heeft betwist dat de kinderen klem zitten en zich genoodzaakt hebben gevoeld voor een ouder te kiezen. Zij heeft de kinderen nooit beïnvloed.
4.2.
Subsidiair heeft de moeder de rechtbank verzocht om op grond van artikel 810a, tweede lid van het Wetboek van Rechtsvordering een deskundige te benoemen die de vermeende ontwikkelingsbedreiging en de noodzaak van een ondertoezichtstelling kan onderzoeken.
De moeder heeft aangegeven dat zij zal meewerken aan het contactherstel met de vader en dat zij dit altijd heeft gedaan. Zij heeft wel opgemerkt dat de Raad en de vader volledig voorbij gaan aan de reden van de contactbreuk. Zo lang er geen erkenning komt voor wat de kinderen hebben meegemaakt, zullen zij zich onveilig blijven voelen en is het contactherstel niet in hun belang. Er moet eerst rust komen in de thuissituatie, waarvan de erkenning van de gebeurtenissen in het verleden een onderdeel is, voordat er hulpverlening voor de kinderen kan worden ingezet. Het geadviseerde SCHIP-traject vindt de moeder niet het meest passend voor haar en de vader. Ook vindt zij Bureau Mars niet geschikt om de kinderen te begeleiden bij het contactherstel met de vader, omdat hulpverlening vanuit Bureau Mars in het verleden ook niet goed is verlopen.
4.3.
Door en namens de vader is ingestemd met de verzochte ondertoezichtstelling voor de duur van zes maanden en aanhouding van het raadsverzoek voor de overige zes maanden. De vader heeft zich daarbij verzet tegen het verzoek van de moeder tot benoeming van een deskundige, omdat dat verzoek volgens hem enkel is gericht op uitstel.
De vader is het met de Raad eens dat de ontwikkeling van de kinderen ernstig wordt bedreigd. Er is sprake van ouderverstoting en ouderonthechting. De moeder belast de kinderen met volwassenproblematiek en haar negatieve invloed op de kinderen draagt bij aan die ontwikkelingsbedreiging. Het feit dat [de minderjarige 2] heeft gedreigd met zelfmoord nadat de moeder dit ook heeft gedaan, is hier een duidelijk voorbeeld van. De vader en de kinderen hebben elkaar al meer dan anderhalf jaar niet gezien of gesproken, en de haat van de kinderen richting de vader wordt alleen maar groter. De vader maakt zich veel zorgen over de kinderen, waaronder over het pestgedrag van [de minderjarige 2] op school en het in zichzelf keren door [de minderjarige 1] .
Daarnaast is een deskundigenonderzoek volgens de vader niet nodig omdat niet alleen de Raad tot een ontwikkelingsbedreiging heeft geconcludeerd, maar eerder ook de kindbehartiger en Bureau Mars.
De vader is van mening dat er nu dringend hulp moet komen voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] en dat de problematiek te heftig is voor het vrijwillige hulpverleningskader. De ondertoezichtstelling en de steun van een gecertificeerde instelling is daarom noodzakelijk. De vader vindt Bureau Mars het meest geschikt om het contactherstel en de contactopbouw te starten en te begeleiden. De vader staat open voor het geadviseerde SCHIP-traject, maar denkt wel dat er eerst een basis van vertrouwen moet worden gelegd voordat met zo’n traject gestart kan worden.
5.
De verzoeken en nadere standpunten van de ouders in de zaak met zaaknummer C/15/355227 / FA RK 24-3896
5.1.
De moeder heeft op 25 juli 2024 verzocht haar vervangende toestemming te verlenen om met [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] naar [plaats] te verhuizen en om [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in de Basisregistratie Personen op een adres in de gemeente [gemeente] in te schrijven. Zij heeft tevens verzocht haar vervangende toestemming te verlenen om [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] op het scholengemeenschap [scholengemeenschap] in [plaats] in te schrijven.
5.2.
De moeder heeft haar verzoeken ter zitting van 8 juli 2025 gehandhaafd. Zij acht het in het belang van de kinderen dat zij met haar naar [plaats] verhuizen en niet langer gevangen zitten in de huidige situatie waarin zij zich onveilig voelen en niet tot rust komen.
5.3.
De vader heeft op 16 oktober 2024 bij wijze van zelfstandig verzoek verzocht de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bij hem te bepalen, onder het gelijktijdig vaststellen van een zorgregeling tussen de moeder en de minderjarigen zoals de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren, onder gelijktijdige oplegging van een dwangsom van € 500,- per dag per kind dat de zorgregeling niet wordt nagekomen, zulks met een maximum van € 10.000,-.
5.4.
De vader heeft zijn verzoeken ter zitting van 8 juli 2025 gehandhaafd, met de aanvulling dat de kinderen begeleide omgang dienen te hebben met de moeder. Subsidiair heeft de vader zich niet verzet tegen het advies van de Raad om de behandeling van het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats aan te houden.
5.5.
Door en namens de moeder is ter zitting van 8 juli 2025 verweer gevoerd tegen de zelfstandige verzoeken van de vader. De moeder acht het verzochte niet in het belang van de kinderen, terwijl het belang van de kinderen leidend dient te zijn. Gelet op hun leeftijd moet de mening van de kinderen over hun woonplaats en hun zwaarwegende bezwaren tegen het contactherstel met de vader serieus worden genomen en doorslag geven bij de beslissing.
5.6.
Door en namens de vader is ter zitting van 8 juli 2025 gemotiveerd verweer gevoerd tegen de door de moeder verzochte vervangende toestemming voor verhuizing naar [plaats] en de daarmee samenhangende verzoeken.

6.Het advies van de Raad in de zaak met zaaknummer C/15/355227 / FA RK 24-3896

6.1.
De Raad heeft bij zijn rapport van 22 april 2025 de rechtbank geadviseerd de behandeling van de verzoeken over de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling voor de duur van zes maanden aan te houden, in afwachting van het verloop van de ondertoezichtstelling, de samenwerking met de hulpverlening, het werken aan de doelen en het contactherstel met de vader.
6.2.
De Raad vindt het nog te vroeg om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] vast te stellen. Het verblijf van de kinderen bij de moeder is voor nu in het belang van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] , maar zij moeten in de buurt van [plaats] – op fietsafstand van hun school – blijven wonen en er moet intensieve hulpverlening voor hen worden gestart, de ouders moeten hulpverlening aanvaarden en er moet gewerkt worden aan doelen die gesteld zijn en/of worden om de bedreiging van de ontwikkeling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] af te wenden. Het verblijf bij de moeder is daarom niet definitief en het hangt, wat de Raad betreft, af van de ontwikkelingen in de komende maanden.
6.3.
Volgens de Raad is het op dit moment ook nog te vroeg om de definitieve zorgregeling vast te stellen. De Raad vindt het belangrijk dat er eerst gewerkt zal worden aan het contactherstel met de vader. Daarnaast zal er hulpverlening voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] en beide ouders ingezet moeten worden. De ouders hebben eerder overeenstemming gehad over een co-ouderschap. Voor de Raad is het op dit moment onduidelijk of die regeling tegemoetkomt aan de belangen van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . De komende periode zal gekeken moeten worden hoe het contact wordt opgestart en verder verloopt.
6.4.
De omgang met de grootouders vaderszijde dient volgens de Raad direct hervat te worden. De Raad adviseert dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] een weekend in de maand, te weten het eerste weekend van de maand van vrijdag uit school tot zondagavond na het eten bij de grootouders vaderszijde verblijven.
6.5.
De Raad heeft zijn advies ter zitting van 8 juli 2025 gehandhaafd.

7.De mening van de minderjarigen

[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben bij hun respectievelijke brieven van 18 februari 2025 en tijdens het gesprek op 4 juli 2025 te kennen gegeven dat zij met de moeder naar [plaats] willen verhuizen en dat zij geen contact willen met de vader en grootouders vaderszijde omdat zij boos op en teleurgesteld in hen zijn. Zij voelen zich niet veilig bij de vader en in de omgeving van [plaats] . Zij zijn van mening dat zij geen hulp nodig hebben en dat hun ondertoezichtstelling niet nodig is. De verhuizing naar [plaats] zou de problemen die zij in hun huidige (woon- en school)situatie ervaren oplossen.

8.De beoordeling

8.1.
De rechtbank wijst het verzoek van de moeder tot benoeming van een deskundige af. Gelet op de inhoud van de overgelegde stukken en wat ter zitting van 8 juli 2025 naar voren is gebracht, acht de rechtbank zich voldoende voorgelicht en is zij van oordeel dat een onderzoek door een deskundige ex artikel 810a, eerste lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering geen aanvullende waarde zal bieden voor het nemen van de beslissing in de zaak met zaaknummer C/15/364673 / JU RK 25-580 en dat het belang van de kinderen zich tegen zulk een onderzoek verzet. Het onderzoek van de Raad dat tot het onderhavige verzoek tot ondertoezichtstelling heeft geleid is naar het oordeel van de rechtbank deugdelijk en de conclusies van de Raad komen overeen met de conclusies van de kindbehartiger van 8 juni 2023 en van Bureau Mars van 23 mei 2024. Het enkele feit dat de Raad op 25 november 2024 tot een andere conclusie is gekomen, is geen reden voor een contra-expertise. Ter zitting heeft de Raad ook uitleg gegeven over de wijziging van deze conclusie. Daarnaast is het verzoek van de moeder onvoldoende concreet.
8.2.
De rechtbank is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De rechtbank legt hieronder uit waarom.
8.3.
De ontwikkeling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] wordt ernstig bedreigd omdat zij met een langdurige en bijzonder heftige strijd tussen hun ouders worden belast. De ouders zijn na hun scheiding niet in staat gebleken invulling te geven aan hun gezamenlijk ouderschap. Het lukt hen niet om constructief met elkaar te communiceren en er is sprake van groot onderling wantrouwen en vele verwijten over en weer. De rechtbank maakt zich ernstige zorgen om het loyaliteitsconflict waarin [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zich bevinden en over het langdurig ontbrekend contact tussen hen en de vader. De kinderen zitten zodanig klem tussen de ouders dat zij de noodzaak lijken te hebben gevoeld te kiezen voor één ouder, namelijk de moeder. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] voelen zich afgewezen door de vader. Zij wijzen de vader en zijn gehele omgeving – waaronder de grootouders vaderszijde en de gezamenlijke woonplaats in [plaats] – volledig af. Zij kunnen geen enkele positieve herinnering aan de vader, de grootouders en het gezamenlijk verleden meer noemen. Deze vorm van zwart-wit denken van de kinderen duidt op ouderonthechting en kan voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] een manier zijn om met de loyaliteitsproblematiek om te gaan. Hun gedrag lijkt op copinggedrag als gevolg van de complexe ouderproblematiek. Dit is echter zeer schadelijk voor hun sociaal-emotionele ontwikkeling en hun identiteitsontwikkeling.
8.4.
Het is in het belang van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] dat er in het gedwongen kader en onder stevige regie van de GI zo snel mogelijk individuele psychologische hulp voor beide kinderen wordt ingezet. Voor het contactherstel en de contactopbouw met de vader en de grootouders vaderszijde is hulp en begeleiding van Bureau Mars aangewezen. Daarnaast is van belang dat hulpverlening voor beide ouders wordt ingezet om de ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] weg te nemen. Omdat hulpverlening in het vrijwillige kader tot nu toe niet tot verbetering van de situatie van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] heeft geleid, is de gedwongen maatregel van ondertoezichtstelling noodzakelijk en passend.
8.5.
Met de Raad is de rechtbank van oordeel dat binnen de ondertoezichtstelling aan de volgende doelen moet worden gewerkt:
  • [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] groeien op in een stabiele, veilige en gestructureerde leef- en opvoedomgeving en worden voldoende gestimuleerd in hun ontwikkeling;
  • [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] verwerken de ingrijpende gebeurtenissen, zoals de ruzies en spanningen tussen de ouders, die in het verleden hebben plaatsgevonden;
  • De ouders houden zich aan de gemaakte verdeling van de zorg- en opvoedtaken, die onder regie van de jeugdbeschermer wordt opgesteld;
  • De omgang tussen de grootouders vaderszijde, [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] wordt hersteld en hervat;
  • Er is zicht op de emotionele beschikbaarheid van beide ouders en het geven van hun emotionele toestemming aan [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] om bij de andere ouder te mogen zijn en van die andere ouder te mogen houden;
  • [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] kunnen onbelast contact hebben met beide ouders, ervaren dat ze het fijn mogen hebben bij beide ouders en dat ze van beide ouders mogen houden;
  • De ouders communiceren op constructieve wijze met elkaar, in het belang van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] ;
  • De ouders laten zich niet negatief uit over elkaar in het bijzijn van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] en belasten de kinderen niet met volwassenproblematiek.
Indien er binnen de ondertoezichtstelling onvoldoende medewerking wordt verleend aan de nodige hulpverlening en er geen stappen worden gezet in het contactherstel met de vader, kan volgens de Raad een uithuisplaatsing in het belang van de kinderen zijn.
8.6.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de ondertoezichtstelling met al zijn mogelijkheden en maatregelen in dit geval noodzakelijk is om de ontwikkelingsbedreiging weg te nemen en de situatie van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zonder verder uitstel te verbeteren. De rechtbank stelt daarom [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] onder toezicht van de GI voor de duur van een jaar. Gelet op de hardnekkige aard en diepe ernst van de aanwezige problematiek is deze termijn naar het oordeel van de rechtbank nodig om aan de gestelde doelen te werken. Anders dan de Raad ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding om het verzoek voor een kortere periode toe te wijzen en voor de rest aan te houden in afwachting van het verloop van de maatregel.
8.7.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
8.8.
Gelet op de bestaande situatie van de kinderen, de noodzaak van hun ondertoezichtstelling en de doelen voor de komende periode, acht de rechtbank het op dit moment niet in het belang van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] dat zij met de moeder naar [plaats] verhuizen. Het belang van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] is voor de rechtbank doorslaggevend bij de belangenafweging of aan de moeder de verzochte vervangende toestemming tot verhuizing naar [plaats] moet worden verleend. Het belang van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bij het verbeteren en stabiliseren van hun situatie vanuit de omgeving waarin zij zijn opgegroeid en waarin het herstel van hun contact met de vader en zijn familie een kans van slagen kan hebben, verzet zich naar het oordeel van de rechtbank tegen de verhuizing naar [plaats] . De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
8.9.
De moeder en de kinderen wensen naar [plaats] in [provincie] te verhuizen waar de familie van de moeder woont. De reisafstand tussen [plaats] , waar de kinderen hun hele leven hebben gewoond, en [plaats] is groot. De kinderen hebben sinds meer dan anderhalf jaar geen contact met de vader en de grootouders vaderszijde die daarvoor altijd een grote rol in hun leven hebben gespeeld. Tot op heden hebben de kinderen geen hulp ontvangen voor het verwerken van de ingrijpende gebeurtenissen die ze hebben meegemaakt en voor het contactherstel. Deze omstandigheden maken het contactherstel met de vader en zijn familie vanuit [plaats] moeilijk, zo niet onmogelijk. Het contactherstel met de vader heeft de meeste kans van slagen vanuit hun huidige woonplaats in [plaats] , met daarbij de inzet van hulpverlening. De rechtbank acht contactherstel met de vader in het belang van de kinderen en is van oordeel dat dit belang zwaarder weegt dan de wens van de moeder om na een lange tijd weer in de omgeving van haar familie te gaan wonen.
8.10.
De rechtbank betrekt hierbij de twijfel van de Raad in hoeverre de moeder het belang van de kinderen voor haar eigen belang heeft geplaatst door ze mee te nemen in haar gedachtegang en haar beslissing om ver weg te gaan wonen van alles waar [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] vertrouwd mee waren. De rechtbank betrekt hierbij ook de mening van Veilig Thuis dat de verhuizing naar [plaats] onderdeel zou zijn van het creëren van een actief loyaliteitsprobleem bij de kinderen. De diepe wens van de kinderen om naar [plaats] te verhuizen geeft naar het oordeel van de rechtbank aan dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in psychische nood verkeren en uit de huidige stressvolle situatie willen geraken. Zij hebben voor de moeder gekozen en zien dat zij ongelukkig is in [plaats] en naar [plaats] wil verhuizen.
8.11.
Gelet op het voorgaande wijst de rechtbank het verzoek van de moeder om haar vervangende toestemming te verlenen voor verhuizing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] naar [plaats] af.
8.12.
Nu de rechtbank geen toestemming verleent voor de verhuizing, heeft de moeder geen belang bij haar verzoeken om vervangende toestemming voor de inschrijving van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] op een adres in de gemeente [gemeente] en voor hun inschrijving op het scholengemeenschap [scholengemeenschap] in [plaats] . De rechtbank wijst daarom die verzoeken af.
8.13.
Gelet op de inhoud van de overlegde stukken en wat op de zitting van 8 juli 2025 naar voren is gebracht, acht de rechtbank het op dit moment niet in het belang van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] om hun hoofdverblijfplaats bij de vader te bepalen. De rechtbank overweegt daartoe dat de procedure over de eerder door beide ouders in de (echtscheidings)zaak met zaaknummer C/15/340502 / FA RK 23-2595 gedane verzoeken over de hoofdverblijfplaats nog steeds loopt, dat de rechtbank nu geen toestemming verleent voor een verhuizing van de kinderen naar een andere omgeving en dat er binnen afzienbare tijd geen verandering van de huidige situatie te verwachten is in de zin van duidelijkheid of het contact van de kinderen met de vader is hersteld en zodanig opgebouwd dat hun hoofdverblijfplaats bij hem mogelijk en in hun belang is. De rechtbank wijst daarom betreffend verzoek van de vader af.
8.14.
Nu de kinderen grote weerstand hebben tegen het contact met de vader en de grootouders vaderszijde, het nog onvoldoende duidelijk is hoe en op welke termijn het contact zou moeten worden hersteld en de daarvoor nodige hulp van Bureau Mars en sturing van de GI in het kader van de ondertoezichtstelling nog moeten gaan starten, acht de rechtbank het niet in het belang van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] om een al dan niet tijdelijke zorgregeling vast te stellen. Het contactherstel is een van de doelen van de ondertoezichtstelling en het is aan de GI om daarin het nodige te doen. Bovendien loopt ook hierover nog een nevenverzoek in de onder 8.13. genoemde echtscheidingszaak. De rechtbank wijst daarom ook het verzoek van de vader tot vaststelling van een zorgregeling af.

9.De beslissing

De rechtbank:
ten aanzien van de zaak met zaaknummer C/15/364673 / JU RK 25-580
9.1.
stelt de minderjarigen [de minderjarigen] :
  • [de minderjarige 1] ;
  • [de minderjarige 2] ,
onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam, gevestigd te Amsterdam, met ingang van 22 juli 2025 tot 22 juli 2026;
9.2.
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
ten aanzien van de zaak met zaaknummer C/15/355227 / FA RK 24-3896
9.3.
wijst af de verzoeken van de moeder;
9.4.
wijst af de zelfstandige verzoeken van de vader.
Deze beschikking is gegeven door mr. J. van Beek, voorzitter, en mr. S. Ok en mr. M.H. Simons, leden van deze kamer, allen tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2025, in aanwezigheid van mr. E.E. ten Kate als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 BW.