De rechtbank Noord-Holland behandelde op 29 juli 2025 de gecombineerde zaken tegen verdachte betreffende een gewapende overval (zaak A), oplichting via WhatsApp en witwassen (zaak B). De officier van justitie vorderde vrijspraak van de primair ten laste gelegde oplichting en bewezenverklaring van de overige feiten met een gevangenisstraf van 36 maanden. De verdediging stelde zich op het standpunt dat onvoldoende bewijs aanwezig was voor een veroordeling.
In zaak A betrof het een overval op 12 augustus 2024 waarbij sieraden werden weggenomen met gebruik van geweld en wapens. De rechtbank oordeelde dat de belastende verklaringen van medeverdachten onvoldoende betrouwbaar waren en dat het DNA-bewijs op bivakmuts en handschoenen niet uitsloot dat anderen deze droegen. Bovendien toonde telefoonverkeersanalyse aan dat verdachte op de dag van de overval thuis was.
In zaak B werd verdachte beschuldigd van oplichting via WhatsApp en witwassen van ongeveer €9.945,95. De rechtbank vond geen bewijs dat verdachte betrokken was bij de oplichting of dat hij wist dat de geldbedragen uit een misdrijf afkomstig waren. De officier van justitie werd partieel niet-ontvankelijk verklaard wegens dubbele vervolging voor witwassen.
De rechtbank ontnam de in beslag genomen munitie aan het verkeer, wees de vorderingen van benadeelden af wegens gebrek aan bewijs en wees de vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf af. De voorlopige hechtenis van verdachte werd opgeheven en hij werd vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten.