ECLI:NL:RBNHO:2025:8530
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vaststelling hoofdverblijfplaats en omgangsregeling minderjarige
De moeder heeft bij de rechtbank een verzoek ingediend om vast te stellen dat de hoofdverblijfplaats van hun minderjarige kind bij haar is en om een omgangsregeling met de vader vast te stellen. De vader is opgeroepen maar is niet verschenen en heeft geen verweer gevoerd.
De rechtbank oordeelt dat de Nederlandse rechter bevoegd is omdat de minderjarige zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft en dat Nederlands recht van toepassing is. De moeder oefent het gezag uit over de minderjarige, waardoor diens hoofdverblijfplaats van rechtswege bij haar ligt. De rechtbank wijst het verzoek tot verklaring voor recht daarom toe.
De omgangsregeling wordt eveneens toegewezen omdat deze op de wet is gegrond en het belang van het kind zich daar niet tegen verzet. De regeling houdt in dat de minderjarige om de week op zondag van 10.00 tot 17.00 uur bij de vader verblijft, waarbij de vader het kind bij de moeder ophaalt en terugbrengt.
De rechtbank wijst het meer of anders verzochte af en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Tevens wordt het advies van de Raad voor de Kinderbescherming genoemd om de broer van de vader te betrekken bij overleg over het kind.
Uitkomst: De hoofdverblijfplaats van de minderjarige is bij de moeder en de omgangsregeling met de vader wordt vastgesteld op om de week zondag van 10.00 tot 17.00 uur.