4.4Oordeel van de rechtbank
Juridisch kader
Op grond van artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is niet strafbaar hij die een feit begaat, geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Van een ogenblikkelijke aanranding is ook sprake bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding.
Aan de voor noodweer geldende vereisten is niet voldaan indien de verdachte zich niet hoefde te verdedigen en er dus geen noodzaak tot verdediging bestond. Die noodzaak heeft niet bestaan als in redelijkheid van de verdachte had kunnen worden gevergd dat hij zich zou hebben onttrokken aan de aanranding.
De rechtbank zal hierna eerst de feitelijke grondslag van het beroep op noodweer onderzoeken, voordat zij zal oordelen of aan de voorwaarden voor aanvaarding van het verweer is voldaan. Als maatstaf geldt hierbij dat de feitelijke toedracht, gelet op wat daarover door of namens de verdachte is aangevoerd en in het licht van het verhandelde op de zitting, voldoende aannemelijk is geworden.
Feitelijke toedracht
De rechtbank ziet eerst zich voor de vraag gesteld wat zich op 23 mei 2022 precies tussen de verdachte en de aangever heeft afgespeeld dat tot het steekletsel bij de aangever heeft geleid. De rechtbank stelt vast dat de verklaringen van de aangever en de verdachte over de omstandigheden waaronder het steekincident heeft plaatsgevonden, uiteenlopen. De rechtbank komt – met de officier van justitie en de raadsman – tot de conclusie dat de verklaring van de aangever niet als betrouwbaar kan worden aangemerkt. Zijn verklaring strookt namelijk op essentiële punten niet met de overige onderzoeksbevindingen in het dossier, zoals het (forensisch) onderzoek ter plaatse. De rechtbank acht om die reden de lezing van de aangever ongeloofwaardig en schuift deze verklaring terzijde.
De rechtbank neemt de lezing van de verdachte ter zitting daarom tot uitgangspunt bij de vaststelling van de feiten en omstandigheden waarop het beroep op noodweer(exces) steunt, maar slechts voor zover die in lijn is met de verklaringen die hij kort na het steekincident, namelijk tijdens het politieverhoor op 24 mei 2022 en het gesprek met de psycholoog op
17 oktober 2022, heeft afgelegd.
De rechtbank acht aannemelijk geworden dat de gang van zaken op 23 mei 2022, direct voorafgaand aan en tijdens het steekincident, als volgt is geweest. De verdachte werd eerder op die bewuste dag gebeld door zijn moeder, die hem vroeg naar de woning van zijn ouders te komen. De verdachte ging hierop naar de woning toe en trof binnen alleen zijn moeder aan, die aan het huilen was en vertelde dat er ruzie was geweest met haar man (de aangever). De verdachte vertrok hierna naar een vriend, die (dicht) in de buurt van zijn ouders woont. Kort daarna werd de verdachte opnieuw gebeld door zijn moeder, die toen heel erg aan het huilen was en hem vroeg opnieuw naar haar toe te komen. De verdachte was hiervan erg geschrokken en ging direct naar de woning van zijn ouders toe. Toen de verdachte naar de hoofdingang van de flat liep, opende de aangever de deur van de portiek en zei hij dat de verdachte niet mocht binnenkomen. De aangever had een grijns op zijn gezicht, zoals hij altijd had als hij iets had gedaan waar – zoals de verdachte ter zitting heeft toegelicht – andere gezinsleden de dupe van waren in het kader van zijn pesterijen of mishandelingen. De verdachte zag toen dat de aangever een mes in zijn hand vasthield. Ondertussen hoorde hij zijn moeder huilen en schreeuwen om hulp. De verdachte was bang dat de aangever zijn moeder iets had aangedaan (met het mes) en wilde daarom hun woning binnengaan om te controleren of zij in orde was. De aangever blokkeerde echter de doorgang en belette hem naar binnen te komen. De aangever wees hierbij het mes in de richting van de verdachte en maakte hiermee een stekende beweging. De verdachte pakte hierop de pols van de aangever vast, draaide zijn arm op zijn rug, pakte het mes van hem af en stak hem toen vijf keer van achteren met het mes.
De rechtbank acht niet aannemelijk dat de verdachte zoals hij ter zitting heeft verklaard, nadat hij het mes had afgepakt, opnieuw door de aangever is aangevallen, waarbij de aangever de verdachte (met de vuist) tegen het hoofd heeft geslagen en heeft geschopt. De verdachte heeft deze aanvulling op zijn verklaring voor het eerst twee en een half jaar na het steekincident op de zitting afgelegd en heeft hier niet in een eerder stadium over verklaard. De rechtbank acht het onwaarschijnlijk dat de verdachte een dermate belangrijk onderdeel van de gebeurtenis destijds was vergeten maar zich nu wel (weer) kan herinneren.
Beoordeling van het beroep op noodweer
De rechtbank is – gelet op de hiervoor vastgestelde feitelijke toedracht – van oordeel dat ten tijde van de steekbeweging in de richting van de verdachte, sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het lijf van – alleen – de verdachte (een zogenaamde noodweersituatie). Nu de verdachte bij de politie en op de zitting heeft verklaard te hebben gehandeld uit angst voor zijn eigen welzijn, gaat de rechtbank voorbij aan het verweer dat (ook) sprake was van putatief noodweer ten aanzien van de situatie van zijn moeder.
De rechtbank overweegt dat de verdachte kort daarvoor op de aangever is afgelopen en is blijven proberen de portiek van de flat te betreden, terwijl hij wist dat de aangever een mes in zijn hand vasthield. De verdachte is dus (de mogelijke escalatie van) de confrontatie met de aangever niet uit de weg gegaan, maar heeft die bewust aanvaard. De rechtbank is echter van oordeel dat onder de gegeven omstandigheden niet redelijkerwijs van de verdachte kon worden gevergd dat hij zich aan de situatie zou onttrekken. In dat verband hecht de rechtbank betekenis aan de verklaringen in het dossier waaruit kan worden afgeleid dat het gezin een langdurig verleden kent van huiselijk geweld door de aangever richting de andere gezinsleden en dat de aangever de moeder van de verdachte eerder had bedreigd met een mes. De rechtbank acht in dat licht bezien de vrees die de verdachte stelt te hebben gehad voor het welzijn van zijn moeder en zijn drang om haar te bereiken voorstelbaar. Dat de verdachte ondanks het mes is doorgegaan met het proberen de portiek binnen te gaan, kan hem dan ook niet worden tegengeworpen en staat dus niet in de weg aan het beroep op noodweer.
Hoewel ten tijde van de steekbeweging door de aangever sprake was van een noodweersituatie, oordeelt de rechtbank dat die noodweersituatie was beëindigd op het moment dat de verdachte het mes van de aangever heeft afgepakt. Op dat moment bevond de verdachte zich immers in een positie waarin hij het mes en dus de overhand had en bestond niet langer de noodzaak tot verdediging. De rechtbank concludeert dat de verdachte door het steken met het mes de grenzen van noodzakelijke verdediging heeft overschreden. Daarmee is niet aan de voor noodweer gestelde vereisten voldaan en verwerpt de rechtbank het beroep op noodweer.