Uitspraak
gedaagden,
1.De procedure
- de conclusie van antwoord;
- de akte van 13 juni 2025 van [eisers] ;
Rechtbank Noord-Holland
In deze civiele zaak vorderen ouders een verklaring voor recht dat hun meerderjarige zoon een regulier inwonend kind is en dat er geen sprake is van een huurovereenkomst, zodat hij en zijn partner geen aanspraak maken op huurbescherming. De ouders willen dat de zoon en zijn partner de woning verlaten en meewerken aan de verkoop.
De feiten tonen aan dat de zoon sinds zijn achttiende verjaardag een maandelijkse vergoeding betaalde die de ouders als kostgeld beschouwen, geen huur. Na een ruzie stopte de zoon met betalen, maar betaalde vanaf februari 2024 een lager bedrag met betalingskenmerk 'huur'. De rechter oordeelt dat dit onvoldoende is om van een huurovereenkomst te spreken.
De kantonrechter wijst de vordering toe dat de zoon en zijn partner de woning moeten verlaten en meewerken aan de verkoop. De vordering tot betaling van achterstallige vergoedingen wordt afgewezen omdat ouders dit hebben kwijtgescholden. Ook wijst de rechter de vordering af dat de zoon € 300 per maand moet bijdragen, omdat ouders instemden met € 200.
De uitspraak is uitvoerbaar bij voorraad en iedere partij draagt eigen proceskosten.
Uitkomst: De zoon en zijn partner moeten de woning verlaten en meewerken aan de verkoop omdat er geen huurovereenkomst is.