ECLI:NL:RBNHO:2025:8715

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
29 juli 2025
Publicatiedatum
30 juli 2025
Zaaknummer
15.116572.25
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Poging tot gewelddadige overval op juwelier door jeugdige daders met toepassing van jeugdstrafrecht

Op 29 juli 2025 heeft de Rechtbank Noord-Holland uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van poging tot gewelddadige overval op een juwelier in Monnickendam op 15 april 2025. De verdachte, die op dat moment 18 jaar oud was, werd samen met een mededader beschuldigd van het plegen van een gewelddadige overval waarbij een vuurwapen en een hamer werden gebruikt. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte zich samen met zijn broer in het zwart gekleed met gezichtsbedekking in de juwelierszaak heeft begeven, waarbij zijn broer een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op de juwelier richtte. De verdachte had een hamer bij zich en heeft deze dreigend omhoog geheven. Door het adequate optreden van de juwelier zijn de verdachte en zijn medeverdachte zonder buit gevlucht op een scooter en kort daarna aangehouden.

De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot 180 dagen jeugddetentie, waarvan 75 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. Daarnaast is er een taakstraf van 60 uur opgelegd. De rechtbank heeft de toepassing van het jeugdstrafrecht gemotiveerd door te verwijzen naar de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn jonge leeftijd en de invloed van zijn omgeving. De benadeelde partijen zijn niet ontvankelijk verklaard in hun vorderingen wegens onvoldoende onderbouwing. De rechtbank heeft ook een vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf toegewezen, omdat de verdachte zich niet aan de voorwaarden had gehouden. De uitspraak benadrukt de ernst van de feiten en de noodzaak van pedagogische beïnvloeding voor de verdachte.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15.116572.25 en 03-263225-23 (vord tul) (P)
Uitspraakdatum: 29 juli 2025
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 15 juli 2025 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum en -plaats],
wonende te [adres 1],
nu gedetineerd in P.I. Alphen, locatie Eikenlaan.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. M. Lenderink en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. Y. Hamelzky, advocaat te Purmerend, naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 15 april 2025 te Monnickendam, gemeente Waterland in/uit een winkel/juwelier (gelegen aan [adres 2]) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om een hoeveelheid geld en/of juwelen en/of goederen van zijn/hun gading, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijfsnaam] en/of [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze poging diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1], te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemer(s) aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en/of een hamer, althans een op een hamer gelijkend voorwerp aan die [slachtoffer 1] heeft/hebben getoond/voorgehouden en/of op die [slachtoffer 1] heeft/hebben gericht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij op of omstreeks 15 april 2025 te Monnickendam, gemeente Waterland en/of (elders) in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een bromfiets (Piaggio Vespa Sprint en/of voorzien van het kenteken [kentekennummer]), althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed
betrof.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van de verdachte heeft met betrekking tot bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde feit zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde feit heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit. De verdachte wist niet en had ook niet moeten vermoeden dat de scooter gestolen was. Er was een sleutel van de scooter aanwezig. De scooter was niet beschadigd en er ontbraken geen opvallende onderdelen.
3.3
Oordeel van de rechtbank
3.3.1
Vrijspraak feit 2
Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen wat de verdachte onder 2 ten laste is gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.
De rechtbank overweegt daartoe als volgt. De verdachte heeft verklaard dat hij een sleutel van de scooter heeft gekregen en niet op de hoogte is gesteld van de herkomst van de scooter. Naast de aangifte van [aangever] bevat het dossier geen informatie op grond waarvan moet worden geconcludeerd dat de verdachte bij het voorhanden krijgen van de scooter wist dan wel had moeten vermoeden dat deze van diefstal afkomstig was. Het dossier bevat in zijn geheel geen informatie over de staat van de scooter. De enkele omstandigheid dat de scooter bij de overval is gebruikt en daarna zou moeten worden gedumpt, maakt dit oordeel niet anders.
Dit betekent dat de verdachte moet worden vrijgesproken van feit 2.
3.3.2
Redengevende feiten en omstandigheden feit 1
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu de verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:
  • de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting afgelegd;
  • het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van de verdachte d.d. 14 mei 2025 (dossierpagina’s 33 tot en met 37);
  • het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] d.d. 15 april 2025 (dossierpagina’s 92 en 93);
  • het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer 1] d.d. 15 april 2025 (dossierpagina’s 94 en 95).
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat
hij op 15 april 2025 te Monnickendam, gemeente Waterland uit een juwelier gelegen aan [adres 2] tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om een hoeveelheid geld en/of juwelen en/of goederen van hun gading, die aan [bedrijfsnaam] en/of [slachtoffer 1] toebehoorden weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze poging diefstal te doen vergezellen van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1], te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemeraan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en een hamer aan die [slachtoffer 1] hebben getoond en op die [slachtoffer 1] hebben gericht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van het feiten

Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1:
poging tot diefstal, vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.

6.Motivering van de sanctie

6.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank in deze het jeugdstrafrecht zal toepassen en de verdachte zal veroordelen tot een jeugddetentie voor de duur van 180 dagen, waarvan 76 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van het voorarrest. De officier van justitie vordert daarnaast dat aan het voorwaardelijke deel de de algemene voorwaarde en de bijzondere voorwaarden zoals opgenomen in het reclasseringsrapport, waaronder een locatieverbod voor de provincie Noord-Holland, worden verbonden. Verder heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank de verdachte zal veroordelen tot het verrichten van een taakstraf voor de duur van 100 uren, bij niet of niet naar behoren uitvoeren van die taakstraf te vervangen door 50 dagen hechtenis. De inbeslaggenomen goederen kunnen aan de verdachte worden teruggegeven.
6.2
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van de verdachte heeft de rechtbank verzocht op grond van artikel 77c Wetboek van Strafvordering het jeugdstrafrecht toe te passen en aan de verdachte een jeugddetentie op te leggen gelijk aan het voorarrest, eventueel in combinatie met een taakstraf. De verdachte is piepjong, beïnvloedbaar en erg afhankelijk van zijn moeder.
6.3
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit:
De verdachte heeft samen met zijn broer geprobeerd een juwelier te overvallen. Bij deze gewelddadige overval zijn zij in het zwart gekleed met gezichtsbedekking de juwelierszaak binnengegaan. Zijn broer richtte een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op de juwelier. De verdachte had een hamer bij zich om de vitrines in te slaan en heeft deze hamer ook dreigend omhoog geheven. Door adequaat optreden van de juwelier zijn de verdachte en zijn medeverdachte zonder buit gevlucht op een scooter. Kort na de overval zijn de verdachte en de medeverdachte in de omgeving aangehouden.
De verdachte heeft zich laten leiden door zijn eigen financieel gewin, zonder erbij stil te staan wat voor gevolgen dit voor anderen, waaronder de juwelier en zijn medewerkers, kan hebben. Dergelijke feiten zorgen niet alleen voor gevoelens van onrust en onveiligheid voor de slachtoffers, wat ook volgt uit de vorderingen benadeelde partij, maar ook voor de maatschappij in het algemeen.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennis genomen van het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland van 11 juli 2025. Uit het reclasseringsrapport blijkt dat de financiële situatie, het sociale netwerk en de mogelijke beïnvloedbaarheid van de verdachte risicofactoren vormen voor delictgedrag. De verdachte heeft moeite met ‘nee’ zeggen en sinds enkele maanden had de verdachte geen zinvolle dagbesteding, geen inkomen en schulden. In de pedagogische mogelijkheden ziet de reclassering redenen voor toepassing van het jeugdstrafrecht. De verdachte neemt actief deel aan het gezin, toont zich ontvankelijk voor emotionele en praktische ondersteuning/ beïnvloeding door zijn moeder en het is noodzakelijk dat de verdachte weer naar school gaat om toekomstig delictsgedrag te voorkomen.
De reclassering heeft daarom geadviseerd het jeugdstrafrecht toe te passen en aan de verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen met de volgende bijzondere voorwaarden:
- meldplicht bij de reclassering
- ambulante behandeling
- locatieverbod (zonder elektronische monitoring)
- dagbesteding en onderwijs
- meewerken aan schuldhulpverlening.
Het toezicht zal worden uitgevoerd door Reclassering Nederland, locatie Maastricht.
Toepassing van jeugdstrafrecht
De verdachte was ten tijde van het plegen van het feit 18 jaar en dus meerderjarig. Op een jongvolwassen verdachte die ten tijde van het strafbare feit meerderjarig is, maar nog onder de 23 jaar, kan het jeugdstrafrecht worden toegepast als sprake is van omstandigheden gelegen in de persoon van de verdachte of als de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd daartoe aanleiding geven.
Op basis van de handelingsvaardigheden van de verdachte ziet de reclassering duidelijke indicaties voor toepassing van het jeugdstrafrecht. De verdachte lijkt de risico’s van zijn handelen onvoldoende in te kunnen schatten en er zijn aanwijzingen voor beïnvloedbaarheid.
Gelet op het advies van de reclassering en wat op de zitting is besproken over de persoonlijke omstandigheden van de verdachte gaat de rechtbank ervan uit dat de verdachte nog vatbaar is voor pedagogische beïnvloeding en dat hij daarbij gebaat zal zijn.
De rechtbank is van oordeel dat het toepassen van het jeugdstrafrecht van belang is voor een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte en daarmee ook in het belang is van de maatschappij, omdat het zal bijdragen aan het verminderen van het recidiverisico. De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij open staat voor hulp. De rechtbank zal dan ook het jeugdstrafrecht toepassen.
Strafmaat:
De oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) jeugd gaan bij een overval op een winkel met geweld in beginsel uit van een onvoorwaardelijke jeugddetentie vanaf 4 maanden. Wanneer sprake is van een poging, wordt de straf met een derde verminderd.
Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank daarnaast in aanmerking genomen dat de verdachte door zijn bekentenis en houding ter terechtzitting ervan blijk heeft gegeven het laakbare van zijn handelen in te zien en hiervoor verantwoordelijkheid te nemen.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een jeugddetentie voor de duur van 180 dagen moet worden opgelegd. De rechtbank zal bepalen dat 75 dagen daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zullen worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, met als doel dat de verdachte ervan wordt weerhouden zich in de toekomst wederom schuldig te maken aan een strafbaar feit. Aan het voorwaardelijk deel zal de rechtbank de algemene en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, met uitzondering van het locatieverbod, verbinden. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een locatieverbod voor de provincie Noord-Holland. De verdachte is woonachtig in België en het reclasseringstoezicht zal worden uitgevoerd door Reclassering Nederland, locatie Maastricht.
Verder is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 60 uren moet worden opgelegd.
7. Overige beslissingen omtrent in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen
Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten
STK GSM (omschrijving: BZAK2254: Apple)
STK Schoenen (omschrijving PL1100-2025083095-G1720469, Zwart),
dienen te worden teruggegeven aan de verdachte.

8.Vordering benadeelde partijen

8.1.
Benadeelde partij [slachtoffer 2]
De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft een vordering tot schadevergoeding voor een bedrag tussen € 1.500,00 en € 2.500,00 ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die zij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden. Op 27 juni 2025 heeft het Openbaar Ministerie haar verzocht haar vordering nader te onderbouwen. Hierop is geen reactie van de benadeelde partij ontvangen.
Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij niet in haar vordering kan worden ontvangen, nu deze niet nader is onderbouwd met bescheiden. De enkele opmerking dat zij vanaf 6 mei 2025 wegens psychische klachten onder behandeling is bij een psychosociaal therapeut, is hiervoor onvoldoende.
Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is in de vordering.
8.2
Benadeelde partij [slachtoffer 3]
De benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft een verzoek tot schadevergoeding ingediend tegen de verdachte zonder hierin een bedrag op te nemen. Op 11 juni 2025 heeft het Openbaar Ministerie haar verzocht haar verzoek nader te onderbouwen. Hierop is geen reactie van de benadeelde partij ontvangen.
Nu geen bedrag door de benadeelde partij is ingevuld, is de rechtbank, met de officier van justitie en de raadsvrouw, van oordeel dat de benadeelde partij niet kan worden ontvangen in haar verzoek tot schadevergoeding.
Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is in de vordering.

9.Vordering tot tenuitvoerlegging

Bij vonnis van 11 december 2023 in de zaak met parketnummer 03.263225.2 heeft de kinderrechter te Limburg de verdachte voor een opiumwetdelict veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 30 uren. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is 3 januari 2024 aan de verdachte toegezonden. De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 28 december 2023.
De officier van justitie vordert nu dat de rechtbank zal gelasten dat die voorwaardelijke straf alsnog ten uitvoer zal worden gelegd. De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de vordering gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.
De rechtbank zal de vordering toewijzen, nu uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat de verdachte de voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit niet heeft nageleefd.

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikel 45, 77c, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

11.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 2 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het onder 1 bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van
180 (honderdtachtig) DAGEN.
Beveelt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot 75 (vijfenzeventig) DAGEN
nietten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.
Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- zich volgens afspraak meldt bij Reclassering Nederland op het adres [adres 3] en blijft melden zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De veroordeelde werkt mee aan het toezicht en de begeleiding door de reclassering, zolang de reclassering dat nodig vindt.
- meewerkt aan verdiepingsdiagnostiek en de daaruit voortvloeiende behandeling, uitgevoerd door de Forensische Polikliniek De Waag of soortgelijke dienstverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.
- verplicht wordt mee te werken aan een traject gericht op dagbesteding in de vorm van opleiding en werk, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.
- meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke personen. De veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.
Geeft aan
Reclassering Nederlandde opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van
60 (zestig) urentaakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.
Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in de vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen.
Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk in de vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen.
Gelast de teruggave aan de verdachte van:
STK GSM (omschrijving: BZAK2254,: Apple)
STK Schoenen (omschrijving PL1100-2025083095-G1720469, Zwart).
Wijst toe de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 03-263225.23 en gelast de tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde werkstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 30 uren, opgelegd bij vonnis van de kinderrechter te Limburg van 11 december 2023. De werkstraf wordt vervangen door 15 dagen jeugddetentie als deze niet goed wordt uitgevoerd.
Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van die voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de duur van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde jeugddetentie.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. C.S. Schoorl, voorzitter,
mrs. N.M.L. Rogmans en A.M.C. de Haan, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier D.H. Geuze,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 29 juli 2025.