In deze zaak heeft de rechtbank Noord-Holland op 29 juli 2025 uitspraak gedaan in een bezwaar tegen de afwijzing van de rechter-commissaris om bepaalde onderzoekshandelingen te verrichten. De verdachte had verzocht om het horen van vier getuigen, maar de rechter-commissaris heeft dit verzoek op 13 mei 2025 afgewezen. De rechtbank heeft het bezwaarschrift op 15 juli 2025 in besloten raadkamer behandeld, waarbij de gemachtigde raadsvrouw van de verdachte en de officier van justitie zijn gehoord. De verdachte zelf is niet verschenen.
De verdediging stelde dat de verdachte enkel toestemming had gegeven voor het rondkijken in de auto en niet voor een verder doorzoeking. De verdediging vond het noodzakelijk om de verbalisanten te confronteren met deze stelling. De officier van justitie concludeerde echter dat het bezwaar ongegrond moest worden verklaard. De rechtbank heeft vervolgens beoordeeld of de afwijzing van de rechter-commissaris stand kon houden.
De rechtbank oordeelde dat de verdediging onvoldoende had gemotiveerd welke toegevoegde waarde het horen van de getuigen zou hebben, aangezien de bevindingen van de verbalisanten al in processen-verbaal waren vastgelegd. De rechtbank concludeerde dat het verdedigingsbelang niet aannemelijk was gemaakt en dat de rechter-commissaris in redelijkheid had kunnen beslissen dat de onderzoekswensen niet van belang waren voor de strafzaak. Het bezwaar werd ongegrond verklaard.