De zaak betreft een vordering van een kleinzoon om medehuurder te worden van de woning die zijn grootmoeder huurt van Stichting Intermaris. De grootmoeder huurt de woning sinds 2001 en de kleinzoon staat sinds september 2020 ingeschreven op dat adres. Zij hebben in 2022 en 2024 verzoeken ingediend om medehuurderschap, welke door Intermaris zijn afgewezen.
De rechtbank beoordeelt of aan de wettelijke vereisten voor medehuurderschap is voldaan, waarbij de kernvraag is of sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Hierbij wordt gekeken naar feitelijk gebruik van de woning, gezamenlijke kosten, huishoudelijke taken, maaltijden, vrije tijd en sociaal verkeer. De stelplicht voor het aantonen van een gemeenschappelijke huishouding ligt bij de verzoekers.
De rechtbank constateert dat de verzoekers onvoldoende hebben onderbouwd dat zij een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren. De financiële verwevenheid is niet aannemelijk gemaakt, betalingen zijn niet toegelicht en essentiële stellingen ontbreken. Ook is onvoldoende gebleken dat de samenwoning duurzaam is bedoeld, mede gelet op de leeftijd van de kleinzoon, zijn zoektocht naar eigen woonruimte en het ontbreken van wederkerigheid in de zorgrelatie.
Daarom wordt de vordering afgewezen. De proceskosten worden hoofdelijk aan de verzoekers opgelegd, inclusief wettelijke rente en uitvoerbaar bij voorraad verklaard.