Uitspraak
1.[eiser 1],
2. [eiser 2],
1.De procedure
- de conclusie van antwoord
- de akte overlegging producties van [eisers] met de producties 26 t/m 31 van 15 november 2024
Rechtbank Noord-Holland
De zaak betreft een verzoek van [eiser 1] om medehuurder te worden van de woning die zijn vader sinds 1991 huurt. Ondanks dat [eiser 1] sinds 2015 weer in de woning woont en mantelzorg verleent, is het verzoek afgewezen omdat niet is aangetoond dat sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding zoals vereist in artikel 7:267 lid 3 BW Pro.
De rechtbank heeft alle omstandigheden beoordeeld, waaronder het gebruik van de woning, de verdeling van huishoudelijke taken, financiële bijdragen en gezamenlijke sociale activiteiten. Hoewel er gezamenlijke huishoudelijke taken en maaltijden zijn, is onvoldoende financiële verwevenheid aangetoond en is het sociale verkeer vooral faciliterend van [eiser 1] naar zijn ouders, niet gezamenlijk.
De rechtbank benadrukte dat mantelzorg op zichzelf geen duurzame gemeenschappelijke huishouding impliceert en dat de terugkeer van [eiser 1] mede ingegeven was door het verlies van zijn eigen woning. Het verzoek werd daarom afgewezen en [eisers] werden veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Verzoek tot medehuurschap wordt afgewezen wegens ontbreken van duurzame gemeenschappelijke huishouding.