De passagiers hadden een vervoersovereenkomst met de vervoerder voor een vlucht van Amsterdam via Parijs naar Tanger. Zij vorderden compensatie wegens vermeende annulering van een vlucht, gebaseerd op Verordening (EG) nr. 261/2004.
De kantonrechter oordeelde dat passagiers die minderjarig waren ten tijde van het verzoek niet-ontvankelijk zijn omdat zij niet zelfstandig in rechte konden optreden en geen wettelijke vertegenwoordiger hadden opgegeven. Het verzoek tot compensatie voor deze passagiers werd afgewezen.
Verder stelde de rechter vast dat de vervoerder de passagiers tijdig, vier maanden voor vertrek, had geïnformeerd over de omboeking naar een andere vlucht. Dit ontneemt het recht op compensatie. Ook het feit dat een reisagent later informeerde, deed hieraan niets af.
De communicatie van de vervoerder in het minnelijke traject was voldoende, ook al ontbrak aanvankelijk onderbouwing met stukken. De passagiers konden eenzelfde verweer in de procedure verwachten. Daarom werd het verzoek afgewezen en werd geen mondelinge behandeling noodzakelijk geacht.
De proceskosten werden aan de passagiers opgelegd, met een specificatie van salaris gemachtigde en nakosten, en de beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.