De passagier had een vervoersovereenkomst met de vervoerder voor een vlucht van Amsterdam via Parijs naar Biarritz op 5 september 2024. De vlucht werd vertraagd uitgevoerd, waardoor de passagier met meer dan drie uur vertraging op de eindbestemming aankwam. De passagier vorderde compensatie van €250,00 plus rente en incassokosten op grond van Verordening (EG) nr. 261/2004.
De vervoerder verweerde zich door aan te voeren dat de vertraging het gevolg was van beperkingen opgelegd door de luchtverkeersleiding, waardoor het toestel vertraging opliep op een eerdere vlucht van Parijs naar Amsterdam. Deze vertraging werkte door op de aansluitende vlucht. De kantonrechter oordeelde dat dit buitengewone omstandigheden zijn, waartegen de vervoerder geen invloed had.
Daarnaast stelde de vervoerder dat alle redelijke maatregelen waren genomen, waaronder het zo snel mogelijk uitvoeren van de vlucht en het omboeken van de passagier naar het eerstvolgende alternatief. De kantonrechter vond dit voldoende en wees het verzoek van de passagier af. De passagier werd veroordeeld in de proceskosten en nakosten.