Uitspraak
zRechtbank noord-holland
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juli 2025 in de zaak tussen
[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
.Vervolgens wordt met de verkregen handelsinkoopwaarde de voor de in te voeren auto verschuldigde Bpm berekend. De (herrekende) bruto Bpm van referentieauto’s speelt in deze berekening geen enkele rol. Het Hof overwoog dat het wettelijke systeem niet in strijd is met artikel 110 VWEU Pro, omdat de (herrekende) bruto Bpm die in het kentekenregister is opgenomen, wordt gebruikt om de teruggaaf bij uitvoer te berekenen en om het bedrag te berekenen dat bij binnenlandse verkoop buiten de grondslag van de btw mag blijven en mag worden gebruikt bij het berekenen van een extra leeftijdskorting. Volgens het Hof zijn deze bepalingen ingegeven door enerzijds de wens om te voorkomen dat met het oog op het behalen van een onbedoeld voordeel een auto wordt ingevoerd met een taxatierapport en vervolgens uitgevoerd met de tabel en anderzijds om praktische overwegingen, namelijk om de doorlopende post voor de btw en de leeftijdskorting gemakkelijker te kunnen toepassen. De in het kentekenregister genoteerde bruto Bpm is dus niet altijd de daadwerkelijk betaalde Bpm, maar bij op latere leeftijd ingevoerde auto’s een met het oog op de hiervoor genoemde bijzondere bepalingen en goedkeuring een rekenkundig herleid bedrag. Dergelijke gegevens kunnen niet worden gebruikt om aan te tonen dat in strijd met artikel 110 VWEU Pro te veel Bpm wordt geheven. Een daadwerkelijke benadeling van uit andere lidstaten ingevoerde auto’s blijkt hieruit immers niet. Het Hof ziet geen aanleiding anders te oordelen dan de Hoge Raad, die dit systeem niet in strijd met artikel 110 VWEU Pro heeft geoordeeld. De rechtbank sluit zich aan bij de overwegingen van het Hof en maakt die tot de hare. Deze beroepsgrond van eiser faalt dus.
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder tot het vergoeden van de door eiser geleden immateriële schade tot een bedrag van € 572;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 65;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het vergoeden van de door eiser geleden immateriële schade tot een bedrag van € 1.428;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 162;
- veroordeelt verweerder en de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding bij helfte van het griffierecht van € 184, en
- veroordeelt verweerder en de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de wettelijke rente over de vergoeding van de proceskosten en de immateriële schade vanaf vier weken na de openbaarmaking van deze uitspraak, dan wel, indien dit een later gelegen datum is, vier weken na de datum waarop de opgaaf van een bankrekening op naam van eiser door verweerder is ontvangen, tot aan de dag van algehele voldoening.