Verzoeker diende op 14 mei 2025 een aanvraag maatschappelijke opvang in bij het college van burgemeester en wethouders van Haarlem. Na vermeend niet tijdig beslissen stelde de gemachtigde op 23 mei 2025 een beroep in onder opschortende voorwaarde, wat inhoudt dat het beroep voorwaardelijk was. De rechtbank stelde vast dat de Awb geen mogelijkheid kent voor voorwaardelijk beroep en dat de gemachtigde, ondanks expliciete verzoeken, niet onvoorwaardelijk beroep wilde instellen.
De voorzieningenrechter had eerder op 22 mei 2025 een verzoek om voorlopige voorziening en ordemaatregel niet-ontvankelijk verklaard omdat er geen besluit was waartegen opgekomen kon worden. Op 27 mei 2025 nam het college alsnog een besluit tot afwijzing van de aanvraag wegens een voorliggende voorziening.
De gemachtigde trok het beroep op 9 juli 2025 in en verzocht om proceskostenvergoeding. De rechtbank oordeelde dat het beroep niet ontvankelijk was omdat het voorwaardelijk was ingesteld en wees het verzoek om proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door rechter M. Jurgens zonder zitting op 21 augustus 2025.