De veroordeelde kreeg bij vonnis van 3 april 2024 een onvoorwaardelijke werkstraf van 50 uur opgelegd, met vervangende jeugddetentie bij niet-nakoming. Door capaciteitsproblemen en persoonlijke omstandigheden bij de coördinator taakstraffen kon de werkstraf niet binnen de wettelijke termijn van negen maanden worden uitgevoerd.
Het Openbaar Ministerie zette de taakstraf daarom om in 21 dagen jeugddetentie. De veroordeelde maakte hiertegen bezwaar en stelde dat hij klaarstond om de werkstraf te verrichten en zelfs zelf een werkplek had geregeld.
De kinderrechter oordeelde dat de overschrijding van de termijn niet aan de veroordeelde te wijten was en verklaarde het bezwaar gegrond. De veroordeelde krijgt een nieuwe termijn van negen maanden om de werkstraf alsnog te voltooien, waarbij bij niet-nakoming opnieuw jeugddetentie volgt.
De zitting vond plaats op 16 juni 2025, waarbij ook de raadsman, een vertegenwoordiger van de jeugdbescherming en de officier van justitie aanwezig waren. Het bezwaar werd ondanks het te laat indienen toch ontvankelijk verklaard vanwege de inspanningen van de raadsman.