Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de meervoudige kamer van 20 augustus 2025 in de zaak tussen
[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
- eiser heeft de Nederlandse nationaliteit;
- eiser stond in de brp ingeschreven op het Nederlandse adres van zijn partner;
- op 9 februari en 8 maart 2018 zijn bedragen overgemaakt aan de partner met de omschrijving ‘huur’;
- eiser heeft verschillende Nederlandse bankrekeningen en leenproducten;
- eiser heeft in Nederland een telefoonabonnement;
- eiser heeft in 2018 verschillende malen geld gepind bij een geldautomaat in Nederland;
- eiser bezocht meerdere evenementen en horecagelegenheden in Nederland;
- eiser bezocht meerdere keren een massagesalon in Nederland;
- eiser maakte meermaals gebruik van het openbaar vervoer in Nederland;
- eiser deed regelmatig boodschappen en inkopen in Nederland;
- eiser heeft een sportschoolabonnement in Nederland;
- eiser bezocht meermaals de kapper in Nederland;
- eiser bezocht een fysiotherapeut en apotheek in Nederland;
- eiser heeft een doorlopende Nederlandse reisverzekering;
- eiser heeft kosten betaald aan de Nederlandse organisatie Hulp-aan-huis.
Geschil9. In geschil is of de aanslag IB/PVV 2018 terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd. Meer specifiek is in geschil of Nederland heffingsbevoegd is over het inkomen van eiser. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser op grond van artikel 4 van Pro de AWR geacht wordt fiscaal inwoner te zijn van Nederland. Het geschil ziet op de vraag of Nederland ook heffingsbevoegd is over het inkomen van eiser volgens het Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar vermogenswinsten (het Verdrag) als regeling van hogere orde.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de aanslag IB/PVV 2018 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning en een verzamelinkomen van nihil;
- bepaalt dat de belastingrente dienovereenkomstig verminderd wordt;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- veroordeelt de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van immateriële schade van eiser tot een bedrag van € 370;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade van eiser tot een bedrag van € 2.130;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 3.108;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 50 aan eiser te vergoeden.