ECLI:NL:RBNHO:2026:1022

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
C/15/373742 / JU RK 26-91
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10:113 BWArt. 7 Brussel II terArt. 15 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verlenging machtiging tot uithuisplaatsing meisje van dertien jaar

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een meisje van net dertien jaar. De minderjarige vertoont zelfbepalend gedrag en er zijn zorgen over de relatie met haar vader, die controlerend is en waarbij sprake lijkt van agressie binnen het gezin. De minderjarige liep vaak weg van haar woonplek en heeft in het verleden een suïcidepoging gedaan.

De minderjarige verbleef in korte tijd op drie verschillende woongroepen, wat de kinderrechter niet passend acht voor haar leeftijd en ontwikkeling. Hoewel de zorgen groot zijn, is de kinderrechter van oordeel dat een machtiging tot uithuisplaatsing niet noodzakelijk is voor haar verzorging en opvoeding. De periode dat de minderjarige thuis woonde, bracht geen acute veiligheidszorgen met zich mee.

De kinderrechter benadrukt dat de gecertificeerde instelling goed moet onderzoeken waar het gedrag van de minderjarige vandaan komt en of een ondertoezichtstelling met strakke kaders de ontwikkelingsbedreiging kan wegnemen. De minderjarige en haar ouders krijgen de kans om te laten zien dat zij veilig thuis kan wonen met passende hulpverlening. Het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing wordt daarom afgewezen, maar de beslissing is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing wordt afgewezen en de minderjarige krijgt de kans om thuis te wonen met strakke kaders van ondertoezichtstelling.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/373742 / JU RK 26-91
Datum uitspraak: 27 januari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ( [land] ),
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. H. Polat uit Haarlem,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. H. Polat uit Haarlem,
hierna tezamen ook te noemen: de ouders.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van 15 januari 2026 en de daarin genoemde stukken.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 27 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de ouders, bijgestaan door een tolk, en met hun advocaat;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .
1.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar haar mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld.

2.De feiten

2.1.
De moeder, de vader en [de minderjarige] hebben de Syrische nationaliteit.
2.2.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 24 december 2025 [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 24 maart 2026.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 24 december 2025 een spoedmachtiging verleend [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 21 januari 2026. Bij beschikking van 5 januari 2026 is de beschikking van 24 december 2025 bekrachtigd, tot 4 januari 2026, omdat [de minderjarige] inmiddels weer thuis woonde.
2.5.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 15 januari 2026 een spoedmachtiging verleend [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 12 februari 2026 en het verzoek voor het overige aangehouden tot deze zitting.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de beslissing tot het verlenen van een spoedmachtiging uithuisplaatsing voor de duur van vier weken te handhaven en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Ter onderbouwing van het verzoek heeft de GI het volgende naar voren gebracht. De zorgen hebben niet alleen betrekking op de ouders, maar met name op het zelfbepalende gedrag van [de minderjarige] . Toen [de minderjarige] op een woongroep in [provincie] verbleef, liep zij steeds weg. Hierdoor is zij noodgedwongen weer thuisgeplaatst. De GI is op zoek gegaan naar een woonplek voor [de minderjarige] dichterbij de ouders. Op 5 januari 2026 is [de minderjarige] op een woongroep in [plaats] geplaatst. Dit wilde [de minderjarige] zelf. De ouders zijn er toen bij betrokken en er werden duidelijke afspraken met [de minderjarige] gemaakt. Ook in [plaats] bleef [de minderjarige] weglopen van de woongroep, waarbij zij in de avonduren buiten was. De GI heeft grote zorgen over haar netwerk. Verder heeft de GI zorgen over de relatie tussen [de minderjarige] en de vader. Het botst continu tussen hen. De vader is erg controlerend, omdat hij zich zorgen over [de minderjarige] maakt. Afgelopen donderdag is [de minderjarige] overgeplaatst naar een andere woongroep in [plaats] , [provincie] .

4.De standpunten

4.1.
Door en namens de ouders is primair verzocht het verzoek af te wijzen. Hiertoe is het volgende naar voren gebracht. De ouders willen graag dat [de minderjarige] weer thuis komt wonen. Het gezin had een kans gekregen van de kinderrechter en het ging thuis oké. Op
5 januari 2026 is [de minderjarige] echter opeens opnieuw uithuisgeplaatst, ditmaal op een woongroep in [plaats] . De reden hiervan was dat een nieuwe plek voor haar was gevonden. Er waren echter geen acute zorgen. Hiermee is de kans die de kinderrechter heeft gegeven het gezin ontnomen. Zij zouden graag alsnog deze kans krijgen. Voor het geval het verzoek wordt toegewezen, is subsidiair verzocht om [de minderjarige] op de woongroep in [plaats] te laten verblijven.

5.De mening van de minderjarige

5.1.
[de minderjarige] heeft verteld dat zij graag terug naar huis wil en anders naar de woongroep in [plaats] wil of naar haar oma. Verder heeft zij verteld dat zij het niet leuk vindt in [plaats] , dat zij weer naar school in [plaats] wil en dat zij zich in de thuissituatie bij de ouders veilig genoeg voelt.

6.De beoordeling

6.1.
Door de omstandigheid dat de ouders en [de minderjarige] de Syrische nationaliteit hebben, moet eerst de vraag worden beantwoord of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek van de GI. Aangezien de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] zich in Nederland bevindt, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ter zake van het verzoek (ex artikel 10:113 BW Pro jo. artikel 7 Brussel Pro II ter).Vervolgens is de vraag aan de orde welk recht op het verzoek van toepassing is. Dat is in dit geval het Nederlands recht (ex artikel 15 Haags Pro Kinderbeschermingsverdrag 1996).
6.2.
Ten aanzien van de afgegeven (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing en het verzoek tot verlenging hiervan voor de duur van de ondertoezichtstelling, overweegt de kinderrechter als volgt.
6.3.
De kinderrechter stelt voorop dat grote zorgen bestaan over [de minderjarige] . Zij vertoont zelfbepalend gedrag en er zijn zorgen over de relatie tussen [de minderjarige] en de vader, waardoor sprake lijkt te zijn van agressie binnen het gezin. [de minderjarige] loopt vaak weg van huis/haar woonplek en zij heeft in het verleden een suïcidepoging gedaan. De kinderrechter acht het daarom van groot belang dat goed zicht op [de minderjarige] bestaat in verband met haar veiligheid. Naar het oordeel van de kinderrechter is een machtiging tot uithuisplaatsing echter niet noodzakelijk in het belang van haar verzorging en opvoeding. Nadat [de minderjarige] ongeveer anderhalve week op een woongroep in [provincie] heeft verbleven, is zij weggelopen en heeft zij weer enige tijd thuis bij de ouders gewoond. Over die periode zijn geen acute of andere op dat moment prangende veiligheidszorgen naar voren gekomen. [de minderjarige] is echter toch uithuisgeplaatst op een woongroep in [plaats] , omdat daar een plek voor haar beschikbaar was en [de minderjarige] hiermee instemde. Na ongeveer tien dagen is [de minderjarige] doorgeplaatst naar een woongroep in [plaats] . In een maand tijd heeft [de minderjarige] , die net dertien jaar is, dus op maar liefst drie woongroepen verbleven. Hoewel de GI terecht naar voren heeft gebracht dat de zorgen over [de minderjarige] groot zijn, acht de kinderrechter het verblijven op drie woongroepen in een maand tijd, niet in het belang van [de minderjarige] .
De GI heeft ter zitting vermeld dat [de minderjarige] , gelet op haar wegloopgedrag op een soort gesloten plek in [plaats] is geplaatst. Ook dat acht de rechtbank voor een meisje van net dertien, ondanks de zorgen die er over haar zijn, niet passend en in haar belang. De GI dient goed te onderzoeken waar het gedrag van [de minderjarige] vandaan komt en of een ondertoezichtstelling met strakke kaders de ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] voldoende kan wegnemen. Dat is naar het oordeel van de kinderrechter nog onvoldoende gebeurd. [de minderjarige] en haar ouders moeten de kans krijgen om te laten zien dat [de minderjarige] op een veilige manier thuis kan wonen, met hulpverlening in het kader van de ondertoezichtstelling. Hierbij kan worden gedacht aan hulpverlening voor [de minderjarige] , hulpverlening met betrekking tot de emotieregulatie van de vader en hulpverlening gericht op (het herstel van) de relatie tussen [de minderjarige] en de vader. Indien hulpverlening in het kader van de ondertoezichtstelling onvoldoende blijkt te zijn, staat het de GI vrij om een nieuw verzoek in te dienen, waarbij van belang is dat de acute zorgen op schrift worden gesteld zodat de kinderrechter daar kennis van kan nemen.
6.4.
Gelet op het voorgaande, ziet de kinderrechter aanleiding om het in de beschikking van 15 januari 2026 geformuleerde oordeel over de machtiging tot uithuisplaatsing te wijzigen, in die zin dat de kinderrechter de beslissing over de (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing handhaaft tot en met 27 januari 2026 en voor het overige afwijst. Het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van de ondertoezichtstelling wordt afgewezen.
6.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
wijst het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van
[de minderjarige]in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder af;
7.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026 door
mr. A.K. Mireku, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. E.C.W. Coesel als griffier, en op schrift gesteld op 4 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.