Eiser heeft beroep ingesteld tegen een kapvergunning die het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Opmeer heeft verleend voor het kappen van zeven bomen nabij zijn woning. Tevens verzocht eiser om een voorlopige voorziening om het kappen uit te stellen tot uitspraak in de bodemprocedure, om onherstelbare schade te voorkomen.
De rechtbank oordeelt dat de kapvergunning gebaseerd is op het bestemmingsplan en dat het college voldoende heeft gemotiveerd dat het kappen van de zeven bomen geen onevenredige afbreuk doet aan de groene hoofdstructuur. Hoewel eiser een beroep doet op het vertrouwensbeginsel vanwege een toezegging van de architect dat de bomen behouden zouden blijven, weegt het algemeen belang bij de bouw van het Kindcentrum zwaarder.
De rechtbank erkent de privacybelangen van eiser, maar stelt dat de belangen van derden bij de bouw volgens planning prevaleren. De zorgen van eiser over de naleving van het ecologisch werkprotocol en de zorgplicht voor flora en fauna zijn relevant voor de uitvoering, maar niet voor de beoordeling van de vergunning zelf.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak is mondeling gedaan op 29 januari 2026 door de voorzieningenrechter.