ECLI:NL:RBNHO:2026:1060

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
HAA 26/531 en HAA 26/583
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.4.1 bestemmingsplanArt. 5.5.1 bestemmingsplanArt. 8:86 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep en voorlopige voorziening tegen kapvergunning voor bouw Kindcentrum

Eiser heeft beroep ingesteld tegen een kapvergunning die het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Opmeer heeft verleend voor het kappen van zeven bomen nabij zijn woning. Tevens verzocht eiser om een voorlopige voorziening om het kappen uit te stellen tot uitspraak in de bodemprocedure, om onherstelbare schade te voorkomen.

De rechtbank oordeelt dat de kapvergunning gebaseerd is op het bestemmingsplan en dat het college voldoende heeft gemotiveerd dat het kappen van de zeven bomen geen onevenredige afbreuk doet aan de groene hoofdstructuur. Hoewel eiser een beroep doet op het vertrouwensbeginsel vanwege een toezegging van de architect dat de bomen behouden zouden blijven, weegt het algemeen belang bij de bouw van het Kindcentrum zwaarder.

De rechtbank erkent de privacybelangen van eiser, maar stelt dat de belangen van derden bij de bouw volgens planning prevaleren. De zorgen van eiser over de naleving van het ecologisch werkprotocol en de zorgplicht voor flora en fauna zijn relevant voor de uitvoering, maar niet voor de beoordeling van de vergunning zelf.

Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak is mondeling gedaan op 29 januari 2026 door de voorzieningenrechter.

Uitkomst: Het beroep tegen de kapvergunning en het verzoek om voorlopige voorziening worden afgewezen omdat het college voldoende heeft gemotiveerd en het algemeen belang zwaarder weegt dan het vertrouwensbeginsel.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: HAA 26/531 en HAA 26/583

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Opmeer

(gemachtigde: mr. E. Kappelhof).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: Gemeente Opmeer (vergunninghouder).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser tegen de kapvergunning van 30 oktober 2025. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van eiser daartegen. Artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
1.1.
Het college heeft de vergunning verleend voor het verwijderen en verplanten van bomen en beplanting in de omgeving van de [adres] in [plaats] , zoals opgenomen op de kapkaart van 24 maart 2025. In het bestreden besluit van 13 januari 2026 op het bezwaar van eiser heeft het college de kapvergunning in stand gelaten. Hier heeft eiser beroep tegen ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Eiser heeft verzocht om het kappen van de bomen uit te stellen tot uitspraak is gedaan op het beroep, om zo onherstelbare schade aan de bomen te voorkomen. Vergunninghouder heeft gewacht met kappen tot de zittingsdatum in de voorlopige voorziening-procedure. De bomen moeten worden gekapt zodat vergunninghouder het terrein bouwrijp kan opleveren aan de aannemer voor de bouw van een nieuw Kindcentrum.
1.2.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 29 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de zoon van eiser [naam 1] ; de gemachtigde van het college samen met [naam 2] ; en [naam 3] namens vergunninghouder.
1.4.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan op het verzoek om een voorlopige voorziening (HAA 26/531) en het beroep
(HAA 26/538).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

De gronden van de beslissing

Omvang van het geding
2. Op de zitting heeft de voorzieningenrechter vastgesteld dat het verzoek en het beroep van eiser zich alleen nog richten tegen de kap van de zeven bomen voor zijn woning aan [adres] , parallel aan het grasveld.
Onevenredige inbreuk op de hoofdgroenstructuur?
3. De kapvergunning is gebaseerd op het bestemmingsplan ‘Kindcentrum Opmeer Spanbroek’. De vergunde bomen staan op de bestemmingen ‘Groen’ en ‘Verkeer-Verblijfsgebied’. Op grond van artikel 3.4.1 (Groen) en artikel 5.5.1 (Verkeer-Verblijfsgebied) geldt een kapvergunningplicht. De kapvergunningen worden slechts verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de (structurele laanbeplanting die deel uitmaakt van de) groene hoofdstructuur.
De overig te kappen bomen (tot het totaal van 80 bomen) staan op de bestemming ‘Maatschappelijk’, waar volgens de planregels geen kapvergunningplicht geldt.
4. De voorzieningenrechter oordeelt dat het college voldoende heeft gemotiveerd dat het kappen van de zeven bomen waar het nog om gaat – zoals aangegeven op de kapkaart – geen onevenredige inbreuk doet aan de structurele laanbeplanting van de groene hoofdstructuur. Hierbij overweegt de rechtbank ten aanzien van het totale beeld dat een deel van de bomen alleen verplaatst worden en dus niet verdwijnen. Dit is opgenomen op
p. 9 van het
VO Definitiefvan 23 januari 2025. Daarbij is ter vervanging van de bomen die verdwijnen een herplantplan opgesteld waarbij in ieder geval evenveel bomen worden teruggeplaatst na de bouw van het Kindcentrum. Het herplantplan staat op p. 10 van het
VO Definitief.
5. Eiser heeft aangevoerd dat het aanzicht en de uitstraling van de wijk met de kap negatief wordt aangetast, maar deze grond niet verder onderbouwd. De grond slaagt daarom niet.
Vertrouwensbeginsel
6. Eiser doet een beroep op het vertrouwensbeginsel. De voorzieningenrechter volgt het standpunt van eiser dat ten aanzien van de zeven bomen een toezegging is gedaan die aan het bestuursorgaan kan worden toegerekend. Vast staat immers dat de architect van het nieuwe Kindcentrum in 2024 heeft medegedeeld dat de bomen evenwijdig aan het Kindcentrum behouden zouden blijven, waaronder de zeven bomen voor de woning van eiser. Zij heeft hier bij het ontwerp van het Kindcentrum rekening mee gehouden. Ook als een dergelijke toezegging is gedaan door derden kan die aan het bestuursorgaan worden toegerekend. De voorzieningenrechter ziet daartoe in dit geval aanleiding. Eiser mocht in het licht van het uitgangspunt van het college dat er zoveel mogelijk bomen behouden zouden blijven, met de toezegging van de architect verwachten dat een aantal van de zeven bomen zouden blijven staan.
7. Omdat de voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat sprake was van een toezegging die aan het bestuursorgaan kan worden toegerekend, volgt nog een belangenafweging. Hierbij wordt het belang van eiser bij nakoming van de toezegging afgewogen tegen het algemeen belang bij het alsnog kappen van de bomen, in dit geval de belangen van derden bij de bouw volgens de huidige planning van het Kindcentrum. De zoon van eiser heeft op de zitting aangegeven dat het belang van eiser bij het behouden van de bomen zit in de privacy die de bomen direct voor de woning geven. De komst van het Kindcentrum dient echter een breder, algemeen belang, dat niet in geschil is. In dit geval staan daarom zwaarder wegende belangen in de weg aan de honorering van het gewekte vertrouwen. Het is belangrijk dat de bouw van het Kindcentrum volgens de planning van start kan gaan om verdere vertraging en financiële schade te voorkomen. Dit heeft het college onderbouwd met de bouwplaatstekening van 28 november 2024 en de bouwplanning voor het nieuwe Kindcentrum. Hierbij heeft het college het belang van privacy van eiser erkend en heeft aangegeven de optie te onderzoeken of wat meer volwassen bomen kunnen worden teruggeplaatst, zodat de privacy van eiser zo snel mogelijk hersteld wordt.
Ecologisch werkprotocol
8. Eiser heeft zijn zorgen geuit over of vergunninghouder zich bij de bouwwerkzaamheden zal houden aan het ecologisch werkprotocol dat is opgesteld om te voldoen zorgplicht voor beschermde flora en fauna. Bij de Quickscan is immers geconcludeerd dat beschermde dieren aanwezig kunnen zijn op de projectlocatie. Volgens eiser heeft vergunninghouder al (vaker) gehandeld in strijd met het ecologisch protocol.
9. De voorzieningenrechter oordeelt dat de beroepsgrond van eiser niet tot vernietiging van de kapvergunning kan leiden, nu niet direct ter beoordeling voorligt hoe de zorgplicht ter bescherming van flora en fauna wordt ingevuld. De zorgplicht is nog steeds wel een belangrijk aspect bij de uitvoering van de kapvergunning. Het ecologisch werkprotocol is dan ook als bijlage aan de kapvergunning verbonden. Vergunninghouder dient het protocol te volgen, en wanneer dit niet gebeurt kan het bevoegd gezag daartegen optreden.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
11. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2026 door mr. E.J. van Keken, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.A. Bakker, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.