ECLI:NL:RBNHO:2026:1102

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
9 februari 2026
Publicatiedatum
6 februari 2026
Zaaknummer
11788249 \ AO VERZ 25-92
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:669 lid 1 BWArt. 7:670 lid 1 sub a BWArt. 7:671b lid 2 BWArt. 7:671b lid 5 BWArt. 7:671b lid 9 onderdeel b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens ernstig verwijtbaar niet nakomen re-integratieverplichtingen

De kantonrechter heeft de procedure aangehouden totdat het UWV een deskundigenoordeel gaf over de re-integratie-inspanningen van de werknemer. Het UWV concludeerde dat de werknemer onvoldoende meewerkte aan zijn re-integratie, ondanks waarschuwingen en loonstop opgelegd door de werkgever.

De werknemer reageerde niet op contactverzoeken van de bedrijfsarts en werkgever en verscheen niet op afspraken, zonder medische rechtvaardiging. De kantonrechter oordeelt dat de werknemer ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en dat de werkgever terecht de loonbetaling heeft stopgezet.

De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden op grond van de e-grond (verwijtbaar handelen) en het opzegverbod tijdens ziekte is niet van toepassing vanwege het niet nakomen van re-integratieverplichtingen. De werknemer heeft geen recht op transitievergoeding en het verzoek tot betaling van achterstallig loon en wettelijke verhoging wordt afgewezen.

De proceskosten worden gecompenseerd en de beschikking is uitvoerbaar bij voorraad. De ontbinding gaat in op 9 februari 2026.

Uitkomst: De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden wegens ernstig verwijtbaar niet nakomen van re-integratieverplichtingen zonder recht op transitievergoeding.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 11788249 \ AO VERZ 25-92
Beschikking van 9 februari 2026
in de zaak van
[verzoeker],
wonende te [plaats],
verzoeker,
verweerder in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [verzoeker],
gemachtigde: [gemachtigde],
tegen
DEKA PERSONEEL B.V.,
gevestigd te Velsen-Noord,
verweerder
verzoeker in het tegenverzoek,
hierna te noemen: Deka,
gemachtigde: mr. W.J. de Boer.

1.De zaak in het kort

Bij tussenbeschikking van 7 oktober 2025 heeft de kantonrechter de procedure aangehouden totdat het UWV heeft beslist op het door de werkgever aangevraagde deskundigenoordeel over de vraag of werknemer zijn re-integratieverplichtingen voldoende is nagekomen. Het UWV heeft in zijn deskundigenbericht – kort gezegd – geoordeeld dat de re-integratie-inspanningen van de werknemer onvoldoende zijn. De werknemer heeft ernstig verwijtbaar gehaald door herhaaldelijk en ondanks waarschuwing stelselmatig niet te verschijnen op afspraken met de werkgever en/of de bedrijfsarts. De kantonrechter volgt het UWV hierin. De werkgever heeft daarom terecht een loonstop aan de werknemer opgelegd. Het tegenverzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt toegewezen en het (subsidiaire) verzoek van de werknemer wordt afgewezen. Omdat de werknemer ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, heeft hij geen recht op een transitievergoeding.

2.Het verdere verloop van de procedure

2.1.
Naar aanleiding van de tussenbeschikking van 7 oktober 2025 heeft de gemachtigde van Deka, nadat de in de tussenbeschikking onder 8.3. genoemde datum na akkoord van de kantonrechter eenmalig is verlengd tot 14 januari 2026, bij e-mailbericht van 30 december 2025 het deskundigenoordeel van het UWV van 17 december 2025 in het geding gebracht. De gemachtigde van [verzoeker] heeft zich daar vervolgens bij akte van 12 januari 2026 over uitgelaten. Partijen is bericht dat er op 9 februari 2026 een eindbeschikking zal worden gewezen.

3.De verdere beoordeling van het geschil

de tussenbeschikking
3.1.
De kantonrechter verwijst naar wat zij heeft overwogen en beslist in de tussenbeschikking van 7 oktober 2025. De inhoud van die beschikking geldt als hier ingelast.
3.2.
De kantonrechter heeft Deka in de beschikking van 7 oktober 2025 in de gelegenheid gesteld om een deskundigenoordeel van het UWV over te leggen, zoals bedoeld in artikel 7:671b lid 5 BW.
het deskundigenoordeel
3.3.
Deka heeft bij brief van 30 december 2025 het deskundigenoordeel van het UWV van 17 december 2025 overgelegd. Het UWV heeft in zijn oordeel, kort gezegd, geconcludeerd dat de re-integratie-inspanningen van [verzoeker] over de periode van 27 maart 2024 tot 13 mei 2025 onvoldoende zijn. Uit het deskundigenoordeel volgt dat de verzekeringsarts heeft beoordeeld of het medisch te verklaren is dat [verzoeker] vanaf 30 september 2024 niet meer heeft gereageerd op contactverzoeken van de bedrijfsarts/arbodienst en Deka. Uit de verkregen medische informatie betreffende het in de loop van 2025 verrichte onderzoek blijkt volgens de verzekeringsarts dat men bij [verzoeker] niet een dusdanig ernstig ziektebeeld heeft kunnen vaststellen dat er sprake zou zijn van handelingsonbekwaamheid. Vervolgens wordt geconcludeerd dat ook de bevindingen uit eigen onderzoek daar niet bij passen en er ook geen sprake is van een bij een dergelijk ernstig ziektebeeld passende behandeling. De verzekeringsarts stelt al met al vast dat het gedrag van [verzoeker] vooral moet worden gezien
‘in het licht van een arbeidsconflict bij een tot vermijden neigende coping’.
3.4.
De arbeidsdeskundige heeft, met inachtneming van het wettelijk kader van de artikelen 7:658a en 7:660a BW, overwogen dat er na een ziekmelding verplichtingen gelden uit de Wet Verbetering Poortwachter, zoals onder andere contact met de bedrijfsarts en met de werkgever, tenzij voldoende kan worden aangetoond dat dit niet van werknemer kan worden verlangd. Dit blijkt niet het geval. Van [verzoeker] had mogen worden verwacht dat hij aan de oproepen van de bedrijfsarts/arbodienst en Deka gehoor had gegeven. [verzoeker] heeft dit verzuimd, terwijl daar vanuit medisch perspectief onvoldoende verklaring voor is. De arbeidsdeskundige concludeert, alles overziend, dan ook dat de re-integratie-inspanningen van [verzoeker] onvoldoende zijn.
3.5.
[verzoeker] heeft in reactie op het deskundigenbericht het standpunt ingenomen dat zijn primaire verzoek is toegewezen, omdat uit r.o. 6.5. van de tussenbeschikking volgens hem blijkt dat het ontslag op staande voet niet mocht worden gegeven. Voor de overige verzoeken, met name het doelend op de uitbetaling van de transitievergoeding en de doorbetaling van loon, handhaaft [verzoeker] zijn ingenomen standpunten en laat hij het oordeel voor het overige over aan de kantonrechter.
de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden
3.6.
De kantonrechter zal de arbeidsovereenkomst van [verzoeker] ontbinden. Er is namelijk voldaan aan de voorwaarden voor opzegging en er geldt geen opzegverbod (artikel 7:671b lid 2 BW). Hierna wordt uitgelegd waarom.
redelijke grond (e-grond)
3.7.
Een voorwaarde voor ontbinding van een arbeidsovereenkomst is dat daar een redelijke grond voor is (artikel 7:669 lid 1 BW Pro). Deka stelt zich primair op het standpunt dat de redelijke grond eruit bestaat dat [verzoeker] verwijtbaar heeft gehandeld of nagelaten (e-grond), door zonder deugdelijke grond zijn re-integratieverplichtingen niet na te komen. In artikel 7:671b lid 5 BW staat dat in deze situatie extra voorwaarden gelden. Met het overleggen van het deskundigenoordeel en het al eerder stopzetten van het loon heeft Deka aan deze voorwaarden voldaan, zodat de e-grond hierna inhoudelijk beoordeeld wordt.
3.8.
De kantonrechter is van oordeel dat Deka met het deskundigenoordeel en de door haar overgelegde stukken en nadere toelichting daarop op de mondelinge behandeling voldoende heeft onderbouwd dat [verzoeker] zonder deugdelijke grond zijn re-integratieverplichtingen niet nakomt en/of is nagekomen. Vast staat dat [verzoeker] vanaf 30 september 2024 niet meer heeft gereageerd op de (vele) contactverzoeken van de bedrijfsarts/arbodienst en Deka en hij steeds niet is verschenen op de met hen ingeplande afspraken. Deka heeft [verzoeker] vier waarschuwingen opgelegd voor het niet houden aan de re-integratieverplichtingen en het onbereikbaar blijven voor de arbodienst en de werkgever. Deka heeft [verzoeker] er daarbij (uiteindelijk) op gewezen dat het niet meewerken aan de genoemde verplichtingen het einde van de arbeidsovereenkomst tot gevolg kon hebben. Noch deze waarschuwingen, noch de door Deka aan [verzoeker] opgelegde loonstop (zie r.o. 3.7. van het tussenvonnis) hebben [verzoeker] kunnen bewegen tot medewerking aan de op hem rustende verplichtingen. [verzoeker] heeft in dat verband aangevoerd dat hij niet meer woonachtig was op zijn eigen adres, waardoor de door Deka aan hem verstuurde correspondentie hem niet (volledig) heeft bereikt. Dit verweer wordt echter gepasseerd, omdat de broer van [verzoeker] op de mondelinge behandeling te kennen heeft gegeven dat hij het specifieke adres waarop [verzoeker] zou verblijven niet (mondeling) heeft doorgegeven aan Deka, terwijl het op de weg van de werknemer ligt om bij ziekte zijn daadwerkelijke verblijfadres door te geven, teneinde effectief te kunnen voldoen aan zijn re-integratieverplichtingen. Uit het voorgaande volgt dat [verzoeker] zijn re-integratieverplichtingen niet nakomt. Dat de broer van [verzoeker] op enkele momenten wel contact heeft gehad met Deka doet hieraan niet af. De verplichting in het kader van re-integratie rusten namelijk op [verzoeker] persoonlijk.
3.9.
[verzoeker] heeft aangevoerd dat er geen sprake is van verwijtbaarheid aan zijn zijde, omdat zijn medische situatie het niet toeliet om op de ‘tweewekelijkse afspraken’ te verschijnen. Er is volgens de verzekeringsarts van het UWV echter geen sprake van een dusdanig ernstig ziektebeeld dat er sprake is van handelingsonbekwaamheid. Ook concludeert zij dat [verzoeker] geen bij een dergelijk ernstig ziektebeeld passende behandeling ontvangt. Het gedrag van [verzoeker] moet volgens de verzekeringsarts vooral worden gezien in het licht van een ‘naar vermijding neigende coping’. Bezien in dat licht heeft [verzoeker] zijn stelling onvoldoende onderbouwd. Hij heeft namelijk geen medische stukken in het geding gebracht die afbreuk doen aan de conclusie van de verzekeringsarts. De kantonrechter neemt daarom als vaststaand aan dat er geen medische beperkingen aanwezig waren die maakten dat [verzoeker] niet aan zijn re-integratieverplichtingen kon voldoen. Er is dan ook een redelijke grond om de arbeidsovereenkomst te ontbinden.
herplaatsing
3.10.
Naast een redelijke grond, is een andere voorwaarde voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst dat [verzoeker] niet binnen een redelijke termijn kan worden herplaatst in een andere passende functie. Ook aan deze voorwaarde is voldaan. Omdat sprake is van verwijtbaar handelen van [verzoeker], wordt immers niet verwacht dat Deka hem herplaatst. [1]
opzegverbod
3.11.
Ook het opzegverbod tijdens ziekte staat niet aan de ontbinding van de arbeidsovereenkomst van [verzoeker] in de weg. [2] Uit de wet volgt dat het opzegverbod tijdens ziekte niet van toepassing is indien de werknemer zonder deugdelijke grond de re-integratieverplichtingen weigert na te komen en de werkgever de werknemer schriftelijk heeft aangemaand tot nakoming van deze verplichtingen of om die reden de betaling van het loon heeft gestaakt. Die situatie doet zich hier voor.
ontbindingsdatum
3.12.
Het voorwaardelijk tegenverzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt daarom toegewezen. Het einde van de arbeidsovereenkomst wordt met inachtneming van artikel 7:671b lid 9 onderdeel b BW bepaald op 9 februari 2026, te weten de datum van deze beschikking.
ernstig verwijtbaar handelen en geen transitievergoeding
3.13.
De kantonrechter kwalificeert het over langere tijd herhaaldelijk niet meewerken aan zijn re-integratie door [verzoeker] als ernstig verwijtbaar. Zoals uit voorgaande blijkt, heeft [verzoeker] de op hem rustende verplichtingen ernstig verzuimd, zelfs nadat aan hem een loonstop en vier waarschuwingen waren opgelegd. Deka hoeft om deze reden geen transitievergoeding aan [verzoeker] te betalen. [3] Dat betekent dat ook het tegenverzoek sub II van Deka wordt toegewezen.
(achterstallig) loon
3.14.
Gezien de toewijzing van het ontbindingsverzoek ligt niet het primaire, maar het subsidiaire verzoek van [verzoeker] nog ter beoordeling voor. [verzoeker] verzoekt om toekenning van het ‘gemiste salaris’, begroot op € 59.505,60, de transitievergoeding van € 42.650,69 en de wettelijke verhoging van 50% over het gemiste salaris, hetgeen in totaal neerkomt op een bedrag van € 131.909,09.
3.15.
Zoals onder 3.13 is vastgesteld, heeft [verzoeker] geen recht op een transitievergoeding. Gezien de conclusie uit het deskundigenoordeel heeft Deka ook op goede gronden een loonstop aan [verzoeker] kunnen opleggen (en handhaven). Een werknemer kan zijn recht op loondoorbetaling tijdens ziekte namelijk verliezen als blijkt dat hij zonder deugdelijke grond heeft geweigerd om mee te werken aan zijn re-integratieverplichtingen. [4] Het verzoek tot betaling van het achterstallig loon zal daarom worden afgewezen, evenals de over dat bedrag verzochte wettelijke verhoging.
proceskosten
3.16.
De proceskosten zullen worden gecompenseerd omdat partijen in het verzoek en het tegenverzoek over en weer in het gelijk en in het ongelijk zijn gesteld.
uitvoerbaar bij voorraad
3.17.
Deze beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat de beschikking meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

4.De beslissing

De kantonrechter
op de verzoeken
4.1.
wijst de verzoeken van [verzoeker] om een transitievergoeding en loonbetaling af,
op de tegenverzoeken
4.2.
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 9 februari 2026,
4.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
4.4.
bepaalt dat Deka geen transitievergoeding aan [verzoeker] is verschuldigd,
op de verzoeken en de tegenverzoeken
4.5.
wijst het meer of anders verzochte af,
4.6.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Deze beschikking is gewezen door mr. M.A.J. Berkers en in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2026.

Voetnoten

1.Artikel 7:669 lid 1 BW Pro, laatste zin.
2.Artikel 7:670 lid 1 sub a BW Pro.
3.Artikel 7:673 lid 7 sub c BW Pro.
4.Artikel 7:629 lid 3 sub d BW Pro en artikel 7:658a lid 4 BW.