ECLI:NL:RBNHO:2026:1116

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
2 februari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
HAA 25/6128
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening bij afwijzing aanvraag bijstandsuitkering Participatiewet

Verzoekster heeft meerdere keren een bijstandsuitkering aangevraagd bij WerkSaam Westfriesland, die telkens werd afgewezen vanwege onduidelijkheden over haar vermogen, met name over een appartement en bankrekeningen in Marokko. WerkSaam baseerde de afwijzing mede op een anonieme melding en een onderzoek waaruit bleek dat verzoekster mogelijk over meer vermogen beschikte dan toegestaan.

Verzoekster maakte bezwaar tegen de afwijzing en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening omdat zij in financiële nood verkeerde, met betalingsachterstanden en dreiging van afsluiting van energie en huisuitzetting. Tijdens de zitting werd duidelijk dat verzoekster niet volledig kon aantonen dat zij geen vermogen had, maar ook dat haar financiële situatie ernstig was.

De voorzieningenrechter oordeelde dat hoewel het recht op bijstand nog niet definitief kan worden vastgesteld, het belang van verzoekster en haar gezin om in de primaire levensbehoeften te voorzien zwaarder weegt dan het belang van WerkSaam om de uitkering te weigeren zolang het bezwaar nog loopt. Daarom werd WerkSaam opgedragen voorschotten te verstrekken tot zes weken na de beslissing op bezwaar.

De uitspraak is een ordemaatregel en bindt de rechtbank niet in een bodemprocedure. Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en WerkSaam wordt opgedragen voorschotten op bijstand te verstrekken.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/6128

uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 februari 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. M.T.A.M. Mes),
en

Het dagelijks bestuur van WerkSaam Westfriesland, WerkSaam

(gemachtigden: M.R. Ooievaar en Y. Mustafa).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoekster voor een uitkering op grond van de Participatiewet (PW). De voorzieningenrechter wijst het verzoek bij wijze van ordemaatregel toe in die zin dat WerkSaam aan verzoekster voorschotten op de bijstandsuitkering dient te verstrekken.

Procesverloop

2.
2.1.
WerkSaam heeft de aanvraag van verzoekster voor een bijstandsuitkering met het besluit van 23 december 2025 afgewezen. Hiertegen heeft verzoekster bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter op 29 december 2025 verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
2.2.
WerkSaam heeft op 7 januari 2026 op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. Verzoekster heeft haar verzoek en de gronden van bezwaar aangevuld.
2.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 21 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, samen met haar dochter, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigden van WerkSaam.

Totstandkoming van het besluit

3.1.
Verzoekster en haar (inmiddels) ex-man hebben vier kinderen. Zij ontvingen vanaf 5 februari 2011 een bijstandsuitkering naar de norm van gehuwden. Wegens echtscheiding is deze bijstandsuitkering per 17 april 2025 beëindigd.
3.2.
In diezelfde periode heeft WerkSaam een anonieme melding over verzoekster binnengekregen. Zij zou onder meer over veel gouden sieraden en contant geld beschikken, dure kleding kopen en veelvuldig naar Marokko gaan. Daar zou zij haar sieraden verkopen, en met de opbrengst daarvan haar huis in Marokko afbetalen. Bij de melding zitten geluidsopnames en video’s, waaruit onder meer volgt dat verzoekster hier zelf over vertelt.
1e aanvraag
4.
4.1.
Op 26 mei 2025 heeft verzoekster opnieuw een bijstandsuitkering aangevraagd. Verzoekster heeft gedurende het onderzoek naar deze aanvraag onder meer verklaard dat zij een (nog af te bouwen) appartement in Marokko heeft, wat zowel door haarzelf als door haar vader is gefinancierd. Het appartement is nog niet af. Daarvoor is geen geld meer. Verder is uit onderzoek gebleken dat verzoekster een eerder nog onbekende bankrekening in Marokko heeft. Op 25 juni 2025 heeft verzoekster informatie van de bank uit Marokko overgelegd. Van het appartement heeft verzoekster volgens haar geen papieren.
4.2.
WerkSaam heeft de aanvraag buiten behandeling gesteld omdat verzoekster geen duidelijkheid heeft gegeven over haar vermogen. Zij heeft verzuimd om de door WerkSaam gevraagde stukken te overleggen. Het hiertegen gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard. Hiertegen heeft verzoekster beroep ingesteld.
2e aanvraag
5.
5.1.
Op 1 juli 2025 heeft verzoekster opnieuw een bijstandsuitkering aangevraagd. Verzoekster heeft desgevraagd informatie over haar schulden gegeven en afschriften van de ING-, ABN- en de Marokkaanse rekening overgelegd. Verder is door verzoekster verklaard dat zij geen eigenaar is van een appartement in Marokko. De aannemer heeft haar (gemachtigde) telefonisch laten weten dat pas als alles is betaald een appartement op iemands naam komt. De aanbetaling zal de aannemer weer overmaken aan verzoekster. De vader van verzoekster heeft de aannemer echter opdracht gegeven het geld aan hem over te maken, omdat dit volgens hem van hem afkomstig was, zo heeft de vader van verzoekster (gemachtigde van) verzoekster laten weten. Verzoekster kan hierover dus volgens haar niet beschikken.
5.2.
WerkSaam heeft deze aanvraag vervolgens op 17 juli 2025 afgewezen omdat verzoekster volgens WerkSaam meer vermogen heeft dan de voor haar geldende vrijgestelde vermogensgrens. Het hiertegen gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard. Ook hiertegen heeft verzoekster beroep ingesteld.
Onderhavige aanvraag
6.
6.1.
Op 7 oktober 2025 heeft verzoekster wederom een bijstandsuitkering aangevraagd. Verzoekster heeft naar aanleiding van een verzoek om aanvullende informatie van WerkSaam de afschriften van al haar rekeningen overgelegd over de periode van 7 juli 2025 tot en met 7 oktober 2025 en (nogmaals) aangegeven dat zij geen appartement heeft in Marokko. Ter onderbouwing hiervan is een document overgelegd van de nationale instantie voor het kadaster en de cartografie van het Koninkrijk Marokko, genaamd “verklaring van niet-inschrijving in de vastgoedregisters”.
6.2.
WerkSaam heeft het IBF vervolgens verzocht om onderzoek te verrichten naar het onroerend goed. Ter zitting is verklaard dat dit nog loopt. Op verzoek van WerkSaam heeft verzoekster verder alle bankafschriften van de Marokkaanse rekening over de periode van 5 februari 2011 tot en met 13 november 2025 overgelegd. Zij heeft toegelicht dat de daarop vermelde heer [naam] de aannemer is en dat de geldopnames contant aan haar vader zijn gegeven. Een bewijs van betaling van de aanbetaling van [naam] aan haar vader is er volgens verzoekster niet en er zijn geen pogingen gedaan om dit geld van haar vader terug te vorderen, zo verklaart zij.
6.3.
Uit de op 19 december 2025 naar aanleiding van dit onderzoek opgestelde rapportage volgt – samengevat en onder meer – het volgende. Van de door verzoekster opgegeven schulden zijn geen bewijsstukken overgelegd. Verzoekster heeft grote bedragen op haar Marokkaanse bankrekening gehad. In februari en mei 2025 heeft zij omgerekend
€ 20.000,- naar de aannemer overgemaakt. Er is vervolgens wisselend verklaard over wat er met dit geld is gebeurd. Er zijn geen documenten waaruit volgt dat de aannemer het geld heeft teruggestort. De rapporteur concludeert dat dit bedrag aan verzoekster toebehoort en niet aan de vader. Zij heeft vervolgens geen pogingen gedaan dit terug te krijgen. Daarbij komt dat er onduidelijkheid bestaat over de bestemming van andere contante geldopnames. Verzoekster heeft verklaard € 20.000,- contant aan haar vader te hebben betaald. Zij heeft hierover dus kunnen beschikken. Verzoekster heeft ook veel in het buitenland verbleven. Het document van 7 augustus 2025 waarin te lezen is dat verzoekster geen onroerend goed op haar naam heeft staan is geen origineel stuk. Bovendien betekent dit ook niet dat zij voor die tijd geen onroerend goed op haar naam heeft gehad. Het vermogen van verzoekster is gelet op al het voorgaande onduidelijk.
Besluit afwijzing aanvraag
6.4.
WerkSaam heeft de aanvraag van verzoekster op 23 december 2025 afgewezen omdat zij geen duidelijkheid heeft verschaft over het onroerend goed in Marokko. De waarde daarvan kan niet worden vastgesteld. Hierdoor kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Daarnaast heeft verzoekster volgens WerSaam € 20.000,- bij haar vader. WerkSaam gaat er dan ook vanuit dat zij genoeg geld (vermogen) heeft om van te leven.

Bezwaarschrift

7.
7.1.
Verzoekster stelt zich in bezwaar op het standpunt dat het recht op bijstand wel is vast te stellen. Gelet op het document van 7 augustus 2025 bezit zij niet over onroerend goed. Het is niet aannemelijk dat zij dit wel heeft gehad en in korte tijd weer van de hand heeft gedaan. De aanbetaling van ongeveer € 19.000,- is door de aannemer weer terugbetaald. Het appartement zou pas op haar naam komen te staan als alles was betaald. Verzoekster verkeert in bijstandsbehoevende omstandigheden. Als al van een vermogen van € 20.000,- zou moeten worden uitgegaan dan zou zij na interingsberekening en aftrek van schulden lager dan de vermogensgrens uitkomen. Haar vermeende vermogen staat dan ook volgens haar niet in de weg aan bijstandsverlening.
7.2.
In haar aanvullende gronden geeft verzoekster aan dat zij in 2025 in totaal omgerekend € 23.950,- op haar Marokkaanse rekening heeft gestort. Samen met het bedrag dat er op 1 januari 2025 al op stond heeft in totaal € 48.400,- op de rekening gestaan. In totaal is € 29.200 opgenomen. Het verschil tussen deze bedragen (ongeveer € 19.000) is het bedrag dat aan de aannemer is overgemaakt. Het opgenomen bedrag is voorts grotendeels aan haar vader teruggegeven. Die heeft er in de periode van 2011 tot en met 2024 voor gezorgd dat er geld op deze rekening werd gestort ten behoeve van kosten in verband met het overlijden van familieleden. Door ruzie binnen de familie is dit geld door verzoekster teruggegeven.

Verzoek om voorlopige voorziening

8. Verzoekster vraagt de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen omdat zij geen inkomsten heeft en niet in haar levensonderhoud kan voorzien. Ter onderbouwing van haar spoedeisend belang heeft zij een vonnis van 14 september 2025 tot ontbinding van de huurovereenkomst vanwege huurachterstand overgelegd en een opgave van huurachterstand ter hoogte van € 1.627,67. Daarnaast heeft zij een brief van de energieleverancier van december 2025 met een opgave van achterstand van betaling van
€ 1.938,61 en aankondiging van afsluiting overgelegd. Zij heeft verder ook nog een achterstand van betaling van haar zorgverzekering. Zij heeft drie inwonende kinderen waarvan de twee meerderjarige kinderen met hun bijbaantjes de ontruiming van de woning tot op heden hebben kunnen voorkomen. Ter zitting is hieraan toegevoegd dat er ook een bedrag is geleend van een familielid om ontruiming te voorkomen, maar dat de situatie niet meer houdbaar is. De getroffen betalingsregelingen kunnen ook niet (meer) worden nagekomen.

Standpunt WerkSaam

9. WerkSaam blijft bij zijn standpunt en houdt verzoekster aan haar verklaring over het bezit van een appartement in Marokko. Er mag van de juistheid van deze verklaring worden uitgegaan. Zij heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij geen vermogen heeft. Het stuk waaruit volgens verzoekster moet volgen dat zij geen onroerend goed op haar naam heeft staan is een vertaling en niet origineel. Nu zij geen controleerbare en verifieerbare stukken heeft verstrekt over de woning, en ook verder de financiële situatie van verzoekster onduidelijk is (gebleven) is de aanvraag volgens WerkSaam terecht afgewezen. Voor het treffen van een voorlopige voorziening is dan ook volgens WerkSaam geen aanleiding.

Beoordeling voorzieningenrechter

10. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt hij uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
11. Vooropgesteld moet worden dat een aanvrager van bijstand in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk moet maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen en volledige openheid van zaken te geven. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
12. De voorzieningenrechter acht het besluit van WerkSaam op zichzelf navolgbaar. Bezwaarlijk kan worden gezegd dat WerkSaam zich zonder enige reden op het standpunt stelt dat de financiële situatie van verzoekster onduidelijk is en dat het op de weg van verzoekster ligt om over haar financiële situatie concrete en te verifiëren informatie te verstrekken. WerkSaam heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht gesteld dat verzoekster daarin op dit moment nog niet is geslaagd. Zij heeft weliswaar uitleg gegeven en toegelicht hoe de situatie volgens haar in elkaar steekt, maar dit heeft zij niet nader onderbouwd en verantwoord, bijvoorbeeld met verklaringen van betrokkenen. De voorzieningenrechter sluit echter, gelet op het verhandelde ter zitting, niet uit dat verzoekster dit hangende de bezwaarschriftprocedure alsnog zal kunnen.
13. De voorzieningenrechter acht voorts aannemelijk dat verzoekster op dit moment in een financiële noodsituatie verkeert. Uit de overgelegde stukken volgt dat sprake is van (forse) betalingsachterstanden en dat er een vonnis tot ontbinding van de huurovereenkomst ligt. Daarnaast heeft de energieleverancier gedreigd met afsluiting. Ter zitting is toegelicht dat enkel vanwege de bijbaantjes van de kinderen en een lening van een familielid erger is kunnen voorkomen. Inmiddels is aan deze situatie ook een einde gekomen en kunnen de betalingsregelingen niet meer worden nagekomen.

Conclusie en gevolgen

Gelet op al het voorgaande en de omstandigheid dat verzoekster met drie kinderen thuis woont, waarvan de jongste slechts 12 jaar oud is, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het verzoek om voorlopige voorziening toe te wijzen en WerkSaam bij wijze van ordemaatregel op te dragen om aan verzoekster vanaf datum indiening van het verzoekschrift (29 december 2025) tot zes weken na de beslissing op bezwaar voorschotten op de bijstandsuitkering te verstrekken ter hoogte van 95% van de voor haar geldende bijstandsnorm. Hoewel bij de hiervoor geschetste stand van zaken nog niet zeker is dat verzoekster ook daadwerkelijk recht heeft op een bijstandsuitkering, weegt het belang van (het gezin van) verzoekster om in de primaire levensbehoeften te kunnen voorzien, zwaarder dan het belang van WerkSaam om zolang het recht niet is beoordeeld niet tot uitkering van bijstand over te gaan.
15. Het verzoek wordt alleen bij wijze van ordemaatregel toegewezen en dus niet omdat de (voorlopige) rechtmatigheidsbeoordeling in het kader van deze procedure thans reeds in het voordeel van verzoekster uitvalt. Bij de huidige stand van zaken valt immers nog niet te beoordelen of het bezwaar in de heroverweging kans van slagen heeft. Onder die omstandigheid ziet de voorzieningenrechter daarom geen grond voor een proceskostenveroordeling of tot een opdracht aan WerkSaam om het betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;
- draagt WerkSaam op om aan verzoekster vanaf 29 december 2025 tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar voorschotten te verstrekken ter hoogte van 95% van de voor verzoekster geldende bijstandsnorm;
- wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H.A.C. Everaerts, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van F. Voskamp, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.