ECLI:NL:RBNHO:2026:1123

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
9 februari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
HAA 26/407
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening bijstand op grond van Participatiewet wegens onvoldoende inzicht financiële situatie

Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet, welke door het college van burgemeester en wethouders van Haarlem is afgewezen wegens onvoldoende inzicht in zijn financiële situatie.

De voorzieningenrechter overweegt dat verzoeker onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een spoedeisend belang, ondanks de door hem aangevoerde betalingsachterstanden en dreigende uithuiszetting. Daarnaast is het bezwaar van verzoeker naar voorlopig oordeel niet kansrijk omdat hij niet alle gevraagde en noodzakelijke informatie heeft verstrekt om het recht op bijstand vast te stellen.

De voorzieningenrechter benadrukt dat de bewijslast voor het aantonen van bijstandbehoevendheid bij verzoeker ligt en dat het college gerechtigd is om nadere informatie te verlangen. Verzoeker heeft tegenstrijdige verklaringen gegeven en onvoldoende inzicht verschaft in zijn inkomsten, schulden en leefomstandigheden.

Daarom wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen, wat betekent dat verzoeker geen voorschot op bijstand ontvangt. Deze uitspraak is voorlopig van aard en bindt de rechtbank niet in een bodemprocedure.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tot verstrekking van bijstand wordt afgewezen wegens onvoldoende spoedeisend belang en onvoldoende aannemelijkheid van het recht op bijstand.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 26/407

uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 februari 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit Haarlem, verzoeker

(gemachtigde: mr. H. Temel),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem, het college
(gemachtigde: mr. S. Liefting).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoeker voor een uitkering op grond van de Participatiewet (PW). Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening.
1.2.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Nog daargelaten de vraag of verzoeker een spoedeisend belang heeft, lijkt het bezwaar van verzoeker vooralsnog geen redelijke kans van slagen te hebben. De voorzieningenrechter legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2.1.
Verzoeker heeft op 8 oktober 2025 een aanvraag ingediend voor een bijstandsuitkering. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 19 januari 2026 afgewezen.
2.2.
Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.3.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 28 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van het college.

Totstandkoming van het besluit

Voorgeschiedenis

3.1.
Verzoeker heeft in het verleden een bijstandsuitkering ontvangen (laatstelijk van 26 januari 2017 tot en met 10 januari 2018). Deze uitkering is beëindigd, ingetrokken en teruggevorderd op grond van schending van de inlichtingenplicht, omdat verzoeker niet gemeld heeft dat hij werkzaamheden heeft verricht in [bedrijfsnaam] in Haarlem.
3.2.
Nadien heeft verzoeker in de periode van november 2022 tot aan onderhavige aanvraag meerdere keren (opnieuw) bijstand aangevraagd. Deze aanvragen hebben niet geleid tot bijstandsverlening. Dit hield verband met ofwel het verrichten van op geld waardeerbare werkzaamheden ofwel het nalaten van het verstrekken van voor de vaststelling van het recht op bijstand noodzakelijke informatie. Deze besluiten hebben in bezwaar stand gehouden. De rechtbank heeft het beroep tegen de beslissingen ter zake de aanvragen van 28 november 2022 en 10 mei 2023 op 5 september 2024 ongegrond verklaard. Andere procedures lopen nog.
Onderhavige aanvraag
4.
4.1.
Op 10 september 2025 heeft verzoeker zich vervolgens opnieuw gemeld voor een bijstandsuitkering. Op 8 oktober 2025 heeft hij een aanvraag ingediend.
4.2.
Naar aanleiding hiervan heeft vooronderzoek plaatsgevonden en is met verzoeker gesproken. Het college heeft verzoeker vervolgens om nadere informatie gevraagd en daarna ook meerdere keren verzocht om aanvullingen op de in dat kader verkregen informatie. Er is onder meer verzocht om bankafschriften, verklaringen over de (voortgang van) de echtscheidingsprocedure, huurbetalingen, telefoonabonnementen, de wijze waarop hij in zijn levensonderhoud voorziet, in hoeverre en op welke wijze zijn familie hem daarbij ondersteunt, verklaringen over schulden, zijn dagbesteding en informatie over zijn (lage) energie- en waterverbruik.
4.3.
Verzoeker heeft op deze verzoeken om (aanvullende) informatie – samengevat en onder meer – als volgt gereageerd. Hij heeft de gevraagde bankafschriften en informatie van zijn advocaat in de echtscheidingsprocedure overgelegd. Hij heeft verder verklaard dat hij zijn huurachterstand deels heeft voldaan met toeslagen en betalingen van de gemeente Haarlem. Daarnaast heeft zijn neef een aantal maanden de huur betaald. Dit moet verzoeker terugbetalen. Hij heeft hiervan een leenovereenkomst overgelegd. Hij heeft toegelicht dat hij af en toe boodschappen van zijn familie krijgt wanneer zij op bezoek komen. De waarde hiervan deze kan hij niet vaststellen. Dit mag het college ook niet van hem verlangen. Hij heeft verklaringen van zijn familie overgelegd. Het Odido telefoonabonnement staat volgens hem op zijn naam. Zijn echtgenote gebruikte dit. Na haar vertrek is de simkaart achtergelaten. De kosten van zijn eigen telefoon draagt hij zelf en betaalt hij via een automatische incasso. Hij heeft verder verklaard een hoge schuld bij zijn familie te hebben en hij heeft een schuldenoverzicht van Oxxio overgelegd. Hij licht toe dat zijn dagbesteding bestaat uit wandelen in de buurt en naar medische afspraken gaan. Zijn water- en energieverbruik is laag omdat hij zuinig leeft, aldus verzoeker.
4.4.
Gedurende de aanvraagprocedure heeft het college, ondanks volgens hem nog ontbrekende informatie, gelet op de gestelde nijpende situatie, een voorschot van € 1.232,15 aan verzoeker verstrekt.
4.5.
In de naar aanleiding van het onderzoek door het college opgemaakte rapportage is – onder meer – geconcludeerd dat de verklaring over het energie- en waterverbruik niet overeenkomt met de vermeende dagbesteding. Voor het vaststellen van het recht op bijstand is het noodzakelijk om inzicht te krijgen in de wijze waarop hij voorziet in zijn levensonderhoud. Verzoeker verzuimt om inzichtelijk te maken in hoeverre hij hierin zelf voorziet dan wel hoe hierin door zijn familie wordt voorzien. Doordat er geen inzicht is verschaft in de ondersteuning die verzoeker ontvangt, kan ook niet worden vastgesteld of dit om gebruikelijke hulp gaat. Daarmee kan ook niet worden vastgesteld of sprake is van een middel in de zin van de PW. Verzoeker heeft hierin, ondanks meerdere hersteltermijnen, geen inzicht gegeven. De verklaringen zijn voorts innerlijk tegenstrijdig als gevolg waarvan het volgens de rapporteur niet mogelijk is om het recht op bijstand vast te stellen.
4.6.
Het college heeft bij het besluit van 19 januari 2026 de aanvraag van verzoeker om bijstand afgewezen omdat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Verzoeker heeft volgens het college geen inzicht verschaft in zijn gehele financiële situatie. Er zijn geen objectieve en verifieerbare inlichtingen verstrekt. Daarbij zijn er tegenstrijdige verklaringen afgelegd hierover. Het is voor eigen risico van verzoeker om inzicht te geven in alle zaken die van belang zijn voor het vaststellen van het recht op bijstand. Het verleende voorschot van € 1.232,15 vordert het college van verzoeker terug.

Gronden van bezwaar

5. Verzoeker stelt zich in bezwaar – samengevat – op het standpunt dat hij alle informatie heeft verstrekt waarmee het college het recht op bijstand kan vaststellen. Deze informatie heeft hij waar mogelijk met objectieve en verifieerbare bewijsstukken onderbouwd. Het college vraagt steeds om nieuwe informatie wat volgens verzoeker niet is toegestaan. Hij acht voldoende aannemelijk gemaakt hoe hij in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Zijn familie kan hem niet langer onderhouden. Het college heeft niet zorgvuldig de verstrekte informatie gewogen of toegelicht waarom deze nog onvoldoende zou zijn.

Verzoek om voorlopige voorziening

6. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen in die zin dat het college wordt opgedragen aan hem een bijstandsuitkering te verstrekken. Volgens verzoeker is sprake van een spoedeisend belang. De schulden stapelen zich op en hij kan zijn zorgverzekering, huur en boodschappen niet meer betalen. Er dreigt uithuiszetting en daarna zal het onmogelijk zijn om een nieuwe sociale huurwoning te kunnen krijgen. Hij wijst daarbij op een brief van de deurwaarder van 22 januari 2026, waarin is aangegeven dat hij voor maandag 26 januari 2026 € 3.490,90 moet voldoen en dat anders de schuldeiser naar de rechter kan stappen, en op een e-mail van de deurwaarder van gelijke datum waarin staat dat het dossier niet langer kan worden aangehouden.

Verweerschrift

7.1.
Het college ziet geen aanleiding voor een ander standpunt. Daarbij wijst het college allereerst op de voorgeschiedenis met verzoeker en de omstandigheid dat er sinds 2018 geen duidelijkheid is over de financiële situatie van verzoeker. Ondanks de herhaalde verzoeken om informatie blijft hierover onduidelijkheid bestaan. De verklaringen die verzoeker aflegt zijn tegenstrijdig en leveren geen objectieve en verifieerbare bewijsstukken over de vraag in hoeverre verzoeker zelf in zijn levensonderhoud kan voorzien. Het is daardoor niet mogelijk om het recht op bijstand vast te stellen. Ook niet schattenderwijs.
7.2.
Het college heeft voorts in zijn verweerschrift gemotiveerd toegelicht dat en waarom er ten aanzien van het energie- en waterverbruik, de telefoonkosten, de betaling van de (vaste) lasten, de schulden en de wijze waarop verzoeker verder in zijn levensonderhoud heeft voorzien en thans voorziet, sprake is van onduidelijkheid en tegenstrijdige verklaringen.

Beoordeling voorzieningenrechter

8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Zij overweegt daartoe als volgt.
8.1.
De voorzieningenrechter treft in beginsel alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. De voorzieningenrechter acht door verzoeker onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van een spoedeisend belang. Hoewel uit de door hem overgelegde informatie weliswaar zou kunnen worden opgemaakt dat sprake is van betalingsachterstanden, volgt hieruit nog niet dat deze dusdanig zijn dat van een financiële noodsituatie moet worden gesproken. Gelet op de door verzoeker overgelegde afdrukken van twee betalingen in december 2025 aan Elan wonen ter hoogte van € 643,51, is er allereerst aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de informatie van de deurwaarder. Bovendien volgt uit deze informatie niet dat de gang naar de rechter reeds is gemaakt.
8.2.
Maar ook wanneer wel wordt aangenomen dat sprake is van een spoedeisend belang is er volgens de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Naar de huidige stand van zaken lijkt het bezwaar van verzoeker namelijk geen redelijke kans van slagen te hebben.
8.3.
De voorzieningenrechter stelt daarbij voorop dat iemand die bijstand aanvraagt, aannemelijk moet maken dat hij daar recht op heeft. De bewijslast van de bijstandbehoevendheid rust dus in beginsel op verzoeker. Hij moet feiten en omstandigheden aannemelijk maken die duidelijkheid geven over zijn woon- en leefsituatie en over zijn financiële situatie. Daarna is het aan het college om deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Als de aanvrager niet aannemelijk maakt dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert, is dit een grond voor afwijzing van de aanvraag. Als het college aannemelijk maakt dat een aanvrager de inlichtingen- of medewerkingsverplichting heeft geschonden, is dit een grond voor afwijzing van de aanvraag als daardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
8.4.
Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is de conclusie van het college dat verzoeker in voornoemde bewijslast niet is geslaagd en onvoldoende informatie heeft gegeven om het recht op bijstand vast te kunnen stellen te volgen. De financiële situatie van verzoeker is onduidelijk gebleven. Het college heeft vooralsnog, mede gelet op de voorgeschiedenis met verzoeker, mogen twijfelen aan zijn verklaring(en) over de wijze waarop hij in zijn levensonderhoud heeft voorzien en thans voorziet. Het college heeft hierover dan ook nadere informatie van verzoeker mogen verlangen. Verzoeker heeft niet alle gevraagde informatie overgelegd. De ontstane onduidelijkheid heeft verzoeker (nog) niet weggenomen. Nog steeds is onduidelijk hoe verzoeker zijn vaste lasten, waaronder de huur, heeft voldaan en hoe hij aan zijn boodschappen en andere benodigdheden is gekomen en komt. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat verzoeker hierover verschillende, tegenstrijdige verklaringen heeft gegeven. Evenmin is de benodigde duidelijkheid over zijn schuldenpositie gegeven. Concrete en verifieerbare informatie hierover ontbreekt. Verder heeft verzoeker ook geen duidelijkheid gegeven over het lage water- en energieverbruik op zijn adres. Terwijl dit terecht vragen oproept, nu hij en zijn behandelaar juist stellen dat hij aan huis gebonden is. Ook ter zitting heeft hij geen verklaring kunnen geven waarom hij de gevraagde eindafrekening van de leveranciers van water en energie niet heeft overgelegd. Hiermee kan het college vooralsnog gevolgd worden dat ook de woon- en leefsituatie van verzoeker niet kan worden vastgesteld.
8.5.
Voor het treffen van een voorlopige voorziening is gelet hierop geen aanleiding.

Conclusie en gevolgen

9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat verzoeker op dit moment geen (voorschot op een) bijstandsuitkering krijgt. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van F. Voskamp, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.