ECLI:NL:RBNHO:2026:1162

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
15/184251-23
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 197a SrArt. 279 SvArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen mensensmokkel via Schiphol met gevangenisstraf van 80 dagen

De rechtbank Noord-Holland heeft op 29 januari 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen de verdachte, die werd beschuldigd van medeplegen van mensensmokkel. De verdachte zou in de periode van 22 juni tot en met 2 juli 2023 betrokken zijn geweest bij het verschaffen van wederrechtelijke toegang tot Nederland aan een persoon zonder geldige papieren.

De rechtbank baseerde haar oordeel op diverse bewijsmiddelen, waaronder chatberichten, vliegtickets en verklaringen van betrokkenen. De verdachte kocht vliegtickets en bustickets voor het slachtoffer en onderhield contact met medeverdachten over de reis. De rechtbank oordeelde dat de verdachte wist of ernstige redenen had te vermoeden dat de toegang tot Nederland wederrechtelijk was.

De verdediging voerde aan dat er geen sprake was van medeplegen en dat de verdachte niet wist van de wederrechtelijkheid, maar dit werd door de rechtbank verworpen. Gezien de ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte legde de rechtbank een gevangenisstraf van 80 dagen op, met aftrek van voorarrest.

Daarnaast werd bepaald dat het in beslag genomen geldbedrag van €5.900,- aan de verdachte moet worden teruggegeven. De rechtbank verklaarde het ten laste gelegde feit bewezen en sprak de verdachte vrij van overige tenlasteleggingen.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 80 dagen gevangenisstraf voor medeplegen van mensensmokkel via Schiphol.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/184251-23 (P)
Uitspraakdatum: 29 januari 2026
Tegenspraak (art. 279 van Pro het Wetboek van Strafvordering)
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 15 januari 2026 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres].
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. T. Fikkers en van wat de raadsvrouw van de verdachte, mr. A.D. Renshof, advocaat te Hoorn, naar voren heeft gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 22 juni 2023 tot en met 2 juli 2023 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen een ander of anderen, te weten [slachtoffer], behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis door Nederland of hem daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft, door
- vlieg- en bustickets aan te schaffen voor bovengenoemd persoon en/of zijn mededader(s) en deze tickets aan hen te verschaffen en/of
- contact te onderhouden met en/of instructies te geven aan bovengenoemd persoon met betrekking tot de reis en/of
- contact te onderhouden met en/of instructies te geven aan / krijgen van één of meer medeverdachte(n) betreffende het vervoer en/of verblijf van bovengenoemd persoon
terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat die toegang of die doorreis wederrechtelijk was.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft integrale vrijspraak bepleit. Er is geen sprake van medeplegen en bovendien is niet bewezen dat de verdachte wist of ernstige redenen had te vermoeden dat sprake was van wederrechtelijke toegang tot Nederland door [achternaam 3].
3.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen, waarvan de vindplaatsen hieronder in de voetnoten zijn opgenomen.
Juridisch kader
Voor een bewezenverklaring van artikel 197a Wetboek van strafrecht – kort gezegd: mensensmokkel – is vereist dat de verdachte, al dan niet uit winstbejag, behulpzaam is geweest een persoon toegang tot of doorreis door of verblijf te verschaffen in Nederland of een andere lidstaat van de EU, of dat de verdachte daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft, terwijl hij weet of ernstige redenen heeft om te vermoeden, dat de toegang of doorreis of het verblijf wederrechtelijk is. Het begrip ‘wederrechtelijk’ in de delictsomschrijving van artikel 197a Sr dient, gelet op de wetsgeschiedenis, te worden uitgelegd als ‘zonder enig subjectief recht of enige bevoegdheid’.
Bewijsmiddelen
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen het volgende vast.
Op 2 juli 2023 arriveerden [naam 1] ([voornaam 1]), [naam 2] ([voornaam 2]), de medeverdachte Adil [achternaam 1] ([achternaam 1]) en een vierde persoon die gebruikt maakte van een Pakistaans paspoort en een Italiaanse verblijfsvergunning op naam van [naam 4] ([achternaam 2]) met een vlucht vanuit Milaan op Schiphol [1] . Het bleek dat [naam 5] ([achternaam 3]) gebruik maakte van de documenten van [achternaam 2] [2] . [achternaam 3] en [achternaam 1] zaten naast elkaar in het vliegtuig [3] en liepen gezamenlijk richting de uitgang van de gate [4] .
De vier mannen reisden op vliegtickets die zijn geboekt door de verdachte. [achternaam 1] en [voornaam 1] hadden een retourticket voor een reis van Amsterdam naar Milaan op 30 juni 2023 en terug op 2 juli 2023. De tickets op naam van [voornaam 2] en van [achternaam 2] waren voor een enkele reis van Milaan naar Amsterdam op 2 juli 2023 [5] . De verdachte heeft het ticket op naam van [achternaam 2] per Whatsapp met [achternaam 1] gedeeld [6] en op 30 juni 2023 heeft hij in een chatgesprek aan [achternaam 1] gevraagd of hij ‘de Ghatta van Junaid’ heeft meegenomen. Daarop gaf [achternaam 1] een bevestigend antwoord [7] .
De verdachte heeft ook een busticket gekocht op naam van [achternaam 3] voor een reis op 22 juni 2023 van Caltanissetta naar Napels, om vervolgens door te reizen van Napels naar Brescia [8] . Op 22 juni 2023 stuurde hij dit ticket digitaal door aan [achternaam 1] [9] . Op 23 juni 2023 hebben de verdachte en [achternaam 3] een chatgesprek gevoerd over de busreis. De verdachte vroeg aan [achternaam 3] of hij van bus was veranderd, waarop [achternaam 3] liet weten dat hij uit de eerste bus was en dat de tweede bus om 8:30 uur zou komen. Ook deelde [achternaam 3] zijn live locatie met de verdachte [10] .
[achternaam 3] heeft verklaard dat hij uit een arm gezin komt en dat hij naar Nederland is gekomen om te werken. Hij is vanuit Pakistan via Bahrein en Egypte naar Libië gereisd, waar al zijn documenten van hem zijn afgepakt. Hij is illegaal doorgereisd naar Italië, waar hij tegen betaling een Pakistaans paspoort en een Italiaanse verblijfsvergunning op naam van [achternaam 2] heeft gekregen [11] .
Bij [achternaam 1] is een map aangetroffen met documenten van een immigratiebureau in Italië, een nationale identiteitskaart van Pakistan en een certificaat van het ministerie van volksgezondheid die allemaal op naam staan van [achternaam 3] [12] . Verder staan in de telefoon van [achternaam 1] contactgegevens van ‘[naam 4]’, ‘[naam 6]’, [naam 7]’, [naam 8]’ en ‘[voornaam 1] [geboorteplaats]’ [13] .
Oordeel rechtbank
Op grond van de hierboven beschreven feiten en omstandigheden, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich in nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachte [achternaam 1] schuldig heeft gemaakt aan het behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van wederrechtelijke toegang tot Nederland door [achternaam 3]. Anders dan door de raadsvrouw is bepleit, is de rechtbank van oordeel dat de bijdrage van de verdachte aan het delict van zodanig gewicht is geweest dat sprake is van medeplegen. De verdachte heeft bus- en vliegtickets gekocht voor [achternaam 3], de verdachten hebben door middel van chatgesprekken contact onderhouden over de reizen van [achternaam 3], de medeverdachte [achternaam 1] is samen met [achternaam 3] van Milaan naar Amsterdam gereisd en had bovendien verschillende documenten van [achternaam 3] onder zich, waaronder zijn paspoort. Gelet hierop kan het naar niet anders zijn dan dat de verdachten wisten dat zij [achternaam 3] zonder de juiste papieren naar Nederland hielpen reizen.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat
hij in de periode van 22 juni 2023 tot en met 2 juli 2023 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, een ander, te weten [slachtoffer], behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot Nederland, door
- vlieg- en bustickets aan te schaffen voor bovengenoemd persoon en zijn mededader en deze tickets aan hen te verschaffen en
- contact te onderhouden met bovengenoemd persoon met betrekking tot de reis en
- contact te onderhouden met de medeverdachte betreffende het vervoer van bovengenoemd persoon
terwijl hij, verdachte, en zijn mededader wisten dat die toegang wederrechtelijk was.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:
Mensensmokkel, terwijl het feit in vereniging wordt begaan door meerdere personen
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6.Motivering van de sanctie

6.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 80 dagen, met aftrek van voorarrest.
6.2
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat bij een bewezenverklaring geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd zou moeten worden. De raadsvrouw heeft gewezen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte zorgt voor zijn moeder en de verdachte heeft veel schulden. Verder is de verdachte niet eerder veroordeeld voor soortgelijke feiten.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van mensensmokkel. Mensensmokkel maakt een ernstige inbreuk op de internationale rechtsorde en doorkruist het overheidsbeleid aangaande bestrijding van illegaal verblijf in Nederland en andere Europese landen. Het houdt een illegaal circuit in stand waarin financieel geprofiteerd wordt van kwetsbare mensen die aanzienlijke bedragen betalen en grote risico’s lopen tijdens hun reis en het ondermijnt het maatschappelijke draagvlak om asielzoekers, waaronder politieke vluchtelingen, ruimhartig op te vangen. De verdachte heeft hierin een essentiële rol gespeeld en dat neemt de rechtbank hem kwalijk.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op
het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie (strafblad) van 9 december 2025. Daaruit blijkt dat de verdachte in Nederland niet eerder voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld, zodat dit niet in zijn nadeel meeweegt.
De rechtbank ziet geen aanleiding om de overige persoonlijke omstandigheden die door de verdediging naar voren zijn gebracht mee te wegen in het voordeel van de verdachte.
Oplegging van de sanctie
De ernst van het feit maakt dat de rechtbank oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur passend vindt. Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de hiervoor genoemde omstandigheden, met de straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en het oriëntatiepunt van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Voor mensensmokkel gaat het LOVS in haar oriëntatiepunten uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank in beginsel een gevangenisstraf van drie maanden passend en geboden.
Redelijke termijn
In artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de
Mens en de fundamentele vrijheden is het recht van iedere verdachte gewaarborgd
om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Als uitgangspunt geldt dat de behandeling van een zaak ter terechtzitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Van zodanige bijzondere omstandigheden is in deze zaak niet gebleken.
De rechtbank is van oordeel dat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen
op 13 januari 2024, omdat op die datum het eerste verhoor met de verdachte heeft plaatsgevonden. Het eindvonnis wordt op 29 januari 2026 gewezen. De overschrijding van de redelijke termijn bedraagt dus 16 dagen. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd als de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. De rechtbank betrekt de overschrijding van de redelijke termijn daarom in strafmatigende zin bij de strafoplegging.
Alles afwegende acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf van
80 (tachtig) dagen, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.

7.Beslissing omtrent in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp

De rechtbank is van oordeel dat het onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven geldbedrag van € 5.900,- aan de verdachte moet worden teruggegeven, omdat hij redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikel 197a van het Wetboek van Strafrecht.

9.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het ten laste gelegde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
80 (tachtig) dagen.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelast de teruggave aan de verdachte van: 5.900 euro.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. E van Kampen, voorzitter,
mr. L. Boonstra en mr. C.H. de Jonge van Ellemeet, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier A. Helder,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 29 januari 2026.

Voetnoten

1.Proces-verbaal van bevindingen Mobiel Toezicht Veiligheid, p. 38 e.v.
2.Proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 5], p. 118 e.v.
3.Proces-verbaal van bevindingen Mobiel Toezicht Veiligheid, p. 38 e.v.
4.Proces-verbaal van bevindingen analyse camerabeelden Schiphol, p. 258 e.v.
5.Proces-verbaal van bevindingen Analyse ontvangen gegevens PI-NL, p. 262 e.v.
6.Proces-verbaal van bevindingen Mobiele telefoon SHAHA92 WhatsAppgesprek, p. 360 e.v.
7.Proces-verbaal van bevindingen Mobiele telefoon SHAHA92 WhatsAppgesprek, p. 360 e.v.
8.Proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 6], p. 157 e.v.
9.Proces-verbaal van bevindingen Mobiele telefoon SHAHA92 WhatsAppgesprek, p. 360 e.v.
10.Proces-verbaal van bevindingen Facebook Messenger gesprek, p. 373 e.v.
11.Proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 5], p. 118 e.v.
12.Proces-verbaal van bevindingen onderzoek inbeslagname [achternaam 1], p. 217 e.v.
13.Proces-verbaal van bevindingen analyse telefoon [achternaam 1], p. 302 e.v.