ECLI:NL:RBNHO:2026:1163

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
15/162854-23
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 SrArt. 33a SrArt. 197a SrArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor mensensmokkel via Schiphol met gevangenisstraf van 80 dagen

De rechtbank Noord-Holland heeft op 29 januari 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van mensensmokkel. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het helpen van een persoon, het slachtoffer, bij het verkrijgen van wederrechtelijke toegang tot Nederland via Schiphol in de periode van 22 juni tot en met 2 juli 2023.

De bewijsvoering bestond uit onder meer chatberichten, vliegtickets, getuigenverklaringen en documenten die bij de verdachte werden aangetroffen. De verdachte reisde samen met het slachtoffer en had documenten van het slachtoffer bij zich. Ook was er contact met een medeverdachte die tickets had geregeld. De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte wist dat de toegang van het slachtoffer wederrechtelijk was.

De rechtbank oordeelde dat mensensmokkel een ernstig delict is dat het illegale circuit in stand houdt en kwetsbare mensen uitbuit. Gezien de ernst van het feit en het ontbreken van eerdere soortgelijke veroordelingen, legde de rechtbank een gevangenisstraf van 80 dagen op, met aftrek van voorarrest. Tevens werd een geldbedrag van €590,- verbeurd verklaard dat vermoedelijk verband hield met de reis van het slachtoffer.

De rechtbank hield rekening met een overschrijding van de redelijke termijn van bijna zeven maanden en verlaagde de straf dienovereenkomstig. De verdachte werd vrijgesproken van wat hem meer of anders was ten laste gelegd dan bewezen verklaard.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 80 dagen gevangenisstraf met aftrek van voorarrest wegens mensensmokkel.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/162854-23 (P)
Uitspraakdatum: 29 januari 2026
Verstek
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 15 januari 2026 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats],
niet ingeschreven op enig adres in de basisregistratie personen.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. T. Fikkers.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 22 juni 2023 tot en met 2 juli 2023 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen een ander of anderen, te weten [slachtoffer], behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis door Nederland of hem daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft, door
- bovengenoemd persoon te begeleiden tijdens de reis en/of
- hierbij tickets aan hem te verschaffen en/of
- contact te onderhouden met en/of instructies te geven aan / krijgen van één of meer medeverdachte(n) betreffende het vervoer en/of verblijf van bovengenoemd persoon,
terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat die toegang of die doorreis wederrechtelijk was.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.
3.2.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen, waarvan de vindplaatsen hieronder in de voetnoten zijn opgenomen.
Juridisch kader
Voor een bewezenverklaring van artikel 197a Wetboek van strafrecht – kort gezegd: mensensmokkel – is vereist dat de verdachte, al dan niet uit winstbejag, behulpzaam is geweest een persoon toegang tot, doorreis door of verblijf in Nederland of een andere lidstaat van de EU te verschaffen, of dat de verdachte daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft, terwijl hij weet of ernstige redenen heeft om te vermoeden, dat de toegang of doorreis of het verblijf wederrechtelijk is. Het begrip ‘wederrechtelijk’ in de delictsomschrijving van artikel 197a Sr dient, gelet op de wetsgeschiedenis, te worden uitgelegd als ‘zonder enig subjectief recht of enige bevoegdheid’.
Bewijsmiddelen
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen het volgende vast.
Op 2 juli 2023 arriveerden [naam 1] ([voornaam 1]), [naam 2] ([achternaam]), de verdachte en een vierde persoon die gebruik maakte van een Pakistaans paspoort en een Italiaanse verblijfsvergunning op naam van [naam 3] ([voornaam 2]) met een vlucht vanuit Milaan op Schiphol [1] . Het bleek dat [slachtoffer] ([slachtoffer]) gebruik maakte van de documenten van [voornaam 2] [2] . [slachtoffer] en de verdachte zaten naast elkaar in het vliegtuig [3] en liepen gezamenlijk richting de uitgang van de gate [4] .
De vier mannen reisden op vliegtickets die zijn geboekt door de medeverdachte [naam medeverdachte] ([voornaam medeverdachte]). De verdachte en [voornaam 1] hadden een retourticket voor een reis van Amsterdam naar Milaan op 30 juni 2023 en terug op 2 juli 2023. De tickets op naam van [achternaam] en van [voornaam 2] waren voor een enkele reis van Milaan naar Amsterdam op 2 juli 2023 [5] . [voornaam medeverdachte] heeft het ticket op naam van [voornaam 2] per Whatsapp met de verdachte gedeeld [6] en op 30 juni 2023 heeft hij in een chatgesprek aan de verdachte gevraagd of hij ‘de Ghatta van [naam 3]’ heeft meegenomen. Daarop gaf de verdachte een bevestigend antwoord [7] .
[voornaam medeverdachte] heeft ook een busticket gekocht op naam van [slachtoffer] voor een reis op 22 juni 2023 van Caltanissetta naar Napels, om vervolgens door te reizen van Napels naar Brescia [8] . Op 22 juni 2023 stuurde hij dit ticket digitaal door aan de verdachte [9] . Op 23 juni 2023 hebben [voornaam medeverdachte] en [slachtoffer] een chatgesprek gevoerd over de busreis. [voornaam medeverdachte] vroeg aan [slachtoffer] of hij van bus was veranderd, waarop [slachtoffer] liet weten dat hij uit de eerste bus was en dat de tweede bus om 8:30 uur zou komen. Ook deelde [slachtoffer] zijn live locatie met [voornaam medeverdachte] [10] .
[slachtoffer] heeft verklaard dat hij uit een arm gezin komt en dat hij naar Nederland is gekomen om te werken. Hij is vanuit Pakistan via Bahrein en Egypte naar Libië gereisd, waar al zijn documenten van hem zijn afgepakt. Hij is illegaal doorgereisd naar Italië, waar hij tegen betaling een Pakistaans paspoort en een Italiaanse verblijfsvergunning op naam van [voornaam 2] heeft gekregen [11] .
Bij de verdachte is een map aangetroffen met documenten van een immigratiebureau in Italië, een nationale identiteitskaart van Pakistan en een certificaat van het ministerie van volksgezondheid die allemaal op naam staan van [slachtoffer] [12] . Verder staan in de telefoon van de verdachte contactgegevens van ‘[naam 3]’, ‘[naam medeverdachte]’, [naam 4]’, [naam 5]’ en ‘[voornaam 1] Rotterdam’ [13] .
Oordeel rechtbank
Op grond van de hierboven beschreven feiten en omstandigheden, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich in nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachte [voornaam medeverdachte] schuldig heeft gemaakt aan het behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van wederrechtelijke toegang tot Nederland door [slachtoffer]. De medeverdachte [voornaam medeverdachte] heeft bus- en vliegtickets gekocht voor [slachtoffer], de verdachten hebben door middel van chatgesprekken contact onderhouden over de reizen van [slachtoffer], de verdachte is samen met [slachtoffer] van Milaan naar Amsterdam gereisd en had bovendien verschillende documenten van [slachtoffer] onder zich, waaronder zijn paspoort. Gelet hierop kan het niet anders zijn dan dat de verdachten wisten dat zij [slachtoffer] zonder de juiste papieren naar Nederland hielpen reizen.
3.3.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat
hij in de periode van 22 juni 2023 tot en met 2 juli 2023 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, een ander, te weten [slachtoffer], behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot Nederland, door
- bovengenoemd persoon te begeleiden tijdens de reis en
- hierbij tickets aan hem te verschaffen en
- contact te onderhouden met één medeverdachte betreffende het vervoer van bovengenoemd persoon,
terwijl hij, verdachte, en zijn mededader wisten dat die toegang wederrechtelijk was.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:
Mensensmokkel, terwijl het feit in vereniging wordt begaan door meerdere personen
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6.Motivering van de sanctie

6.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 80 dagen, met aftrek van voorarrest.
6.2.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van mensensmokkel. Mensensmokkel maakt een ernstige inbreuk op de internationale rechtsorde en doorkruist het overheidsbeleid aangaande bestrijding van illegaal verblijf in Nederland en andere Europese landen. Het houdt een illegaal circuit in stand waarin financieel geprofiteerd wordt van kwetsbare mensen die dikwijls aanzienlijke bedragen betalen voor een reis met grote risico’s en het ondermijnt het maatschappelijke draagvlak om asielzoekers, waaronder politieke vluchtelingen, ruimhartig op te vangen. De verdachte heeft hierin een essentiële rol gespeeld en dat neemt de rechtbank hem kwalijk.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op
het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie (strafblad) van 18 juni 202. Daaruit blijkt dat de verdachte in Nederland niet eerder voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld, zodat dit niet in zijn nadeel meeweegt.
Oplegging van de sanctie
De ernst van het feit maakt dat de rechtbank oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur passend vindt. Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de hiervoor genoemde omstandigheden, met de straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en het oriëntatiepunt van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Voor mensensmokkel gaat het LOVS in haar oriëntatiepunten uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank in beginsel een gevangenisstraf van drie maanden passend en geboden.
Redelijke termijn
In artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de
Mens en de fundamentele vrijheden is het recht van iedere verdachte gewaarborgd
om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Als uitgangspunt geldt dat de behandeling van een zaak ter terechtzitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Van zodanige bijzondere omstandigheden is in deze zaak niet gebleken.
De rechtbank is van oordeel dat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen
op 3 juli 2023, omdat op die datum het eerste verhoor met de verdachte heeft plaatsgevonden. Het eindvonnis wordt op 29 januari 2026 gewezen. De overschrijding van de redelijke termijn bedraagt dus bijna zeven maanden. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd als de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. De rechtbank betrekt de overschrijding van de redelijke termijn daarom in strafmatigende zin bij de strafoplegging.
Alles afwegende acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf van
80 (tachtig) dagen, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.

7.Bijkomende straf

Verbeurdverklaring
De rechtbank acht het onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten een geldbedrag van € 590,-, vatbaar voor verbeurdverklaring, nu dit geldbedrag aan de verdachte toebehoort en hij – naar de rechtbank begrijpt – dit bij zich had ten behoeve van de reis van de gesmokkelde persoon naar Nederland.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikel 33, 33a en 197a van het Wetboek van Strafrecht.

9.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.3. weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
80 (tachtig) dagen.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurd: 590 euro.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. E. van Kampen, voorzitter,
mr. L. Boonstra en mr. C.H. de Jonge van Ellemeet, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier A. Helder,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 29 januari 2026.

Voetnoten

1.Proces-verbaal van bevindingen Mobiel Toezicht Veiligheid, p. 38 e.v.
2.Proces-verbaal van verhoor verdachte [slachtoffer], p. 118 e.v.
3.Proces-verbaal van bevindingen Mobiel Toezicht Veiligheid, p. 38 e.v.
4.Proces-verbaal van bevindingen analyse camerabeelden Schiphol, p. 258 e.v.
5.Proces-verbaal van bevindingen Analyse ontvangen gegevens PI-NL, p. 262 e.v.
6.Proces-verbaal van bevindingen Mobiele telefoon SHAHA92 WhatsAppgesprek, p. 360 e.v.
7.Proces-verbaal van bevindingen Mobiele telefoon SHAHA92 WhatsAppgesprek, p. 360 e.v.
8.Proces-verbaal van verhoor verdachte [naam medeverdachte], p. 157 e.v.
9.Proces-verbaal van bevindingen Mobiele telefoon SHAHA92 WhatsAppgesprek, p. 360 e.v.
10.Proces-verbaal van bevindingen Facebook Messenger gesprek, p. 373 e.v.
11.Proces-verbaal van verhoor verdachte [slachtoffer], p. 118 e.v.
12.Proces-verbaal van bevindingen onderzoek inbeslagname [naam 6], p. 217 e.v.
13.Proces-verbaal van bevindingen analyse telefoon [naam 6], p. 302 e.v.