ECLI:NL:RBNHO:2026:1164

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
15/338412-23
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 WVWArt. 8 WVWArt. 5a WVWArt. 175 WVWArt. 176 WVW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor roekeloos rijden onder invloed met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg

Op 9 december 2023 veroorzaakte de verdachte een verkeersongeval te Velsen-Zuid door met een aanzienlijk te hoge snelheid en onder invloed van alcohol door twee rode stoplichten te rijden. Hierbij werd een ander zwaar lichamelijk letsel toegebracht, waaronder hersenletsel en letsel aan de aorta.

De rechtbank stelde vast dat de verdachte roekeloos heeft gehandeld door de maximumsnelheid van 80 km/u met 22 tot 32 km/u te overschrijden, meerdere rode stoplichten te negeren en geen voorrang te verlenen. Het bloedalcoholgehalte van 2,11 mg/ml lag ruim boven de wettelijke limiet van 0,5 mg/ml. De verdachte toonde berouw en heeft meegewerkt aan schadeafwikkeling.

De rechtbank veroordeelde de verdachte tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van één jaar met een proeftijd van twee jaar, een taakstraf van 240 uur en een rijontzegging van vier jaar, met aftrek van de periode dat het rijbewijs was ingevorderd. De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, eerdere strafbeschikkingen en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van één jaar, 240 uur taakstraf en vier jaar rijontzegging wegens roekeloos rijden onder invloed met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats [geboorteplaats]
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/338412-23 (P)
Uitspraakdatum: 29 januari 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 15 januari 2026 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[woonadres].
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. A. van Loon en van wat de verdachte en haar raadsman, mr. R.J. Balkenende, advocaat te Zoetermeer, naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
zij op of omstreeks 9 december 2023 te Velsen-Zuid, gemeente Velsen, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk Mercedes-Benz), daarmede rijdende over de weg, de Amsterdamseweg N202, zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,
- met een niet toegestane hoge snelheid de met verkeerslichten geregelde kruising(en) op die Amsterdamseweg met de op- en/of afrit van de A22 te naderen en/of
- een of meerdere voor haar bestemde rood licht uitstralende verkeerslicht(en) te negeren en/of
- haar snelheid niet zodanig te regelen dat zij in staat was het door haar bestuurde motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover zij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of
- geen voorrang te verlenen aan en met hoge snelheid aan te rijden tegen een voor haar van rechts komende personenauto (merk Opel),
waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, te weten hersenletsel en/of letsel aan de aorta en het middenrif en/of orthopedisch letsel en/of gebitsletsel, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl zij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994, dan wel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, zevende of negende lid van genoemde wet;
subsidiair
zij op of omstreeks 9 december 2023 te Velsen-Zuid, gemeente Velsen als bestuurder van een voertuig (personenauto, merk Mercedes-Benz), daarmee rijdende op de weg, de Amsterdamseweg N202,
- met een niet toegestane hoge snelheid heeft gereden en/of
- een of meer voor haar bestemde rood licht uitstralende verkeerslichten heeft genegeerd en/of
- geen voorrang heeft verleend aan een voor haar van de afrit van de A22 van rechts komende personenauto (merk Opel),
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
2
zij op of omstreeks 9 december 2023 te Velsen-Zuid, gemeente Velsen, als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in haar bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 2,11 milligram, in elk geval hoger dan 0,5 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten. Met betrekking tot feit 1 is volgens de officier van justitie gebleken dat de verdachte twee keer (kort na elkaar) een rood stoplicht heeft genegeerd, minstens 22 kilometer per uur te hard heeft gereden en dat zij teveel had gedronken. Hierdoor heeft zij een verkeersongeval veroorzaakt, met zwaar lichamelijk letsel voor het slachtoffer tot gevolg. Op grond van de gedragingen van de verdachte moet worden geconcludeerd dat zij zich roekeloos heeft gedragen in het verkeer.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verweer gevoerd ten aanzien van de schuldgradatie roekeloosheid.
De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte zich nauwelijks iets kan herinneren van de rit en zich niet bewust was van wat zij op dat moment deed. Daarom kan niet worden vastgesteld dat de verdachte de verkeersregels genoemd in artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994 (WVV) – in casu het overschrijden van de maximum snelheid en het negeren van een rood stoplicht –
opzettelijkin ernstige mate heeft geschonden. Het handelen van de verdachte kan om die reden niet als roekeloos worden gekwalificeerd.
Voor het overige heeft de raadsman zich met betrekking tot de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt op grond van de feiten en omstandigheden, die besloten liggen in de hierna te noemen bewijsmiddelen, tot een bewezenverklaring van de onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde feiten.
De hierna vermelde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.
De bewijsmiddelen zijn, voor zover het een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5°, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) betreft, slechts gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.
Ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin Sv. Gelet daarop zal de rechtbank volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen op grond waarvan zij tot een bewezenverklaring is gekomen.
De bewijsmiddelen, met betrekking tot de feiten 1 en 2:
  • de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de zitting van 15 januari 2026;
  • een proces-verbaal van bevindingen ‘Forensisch onderzoek verkeer/forensisch onderzoek plaats delict’ (dossierpagina 53 e.v.);
  • een proces-verbaal van bevindingen ‘Analyse VRI data’(dossierpagina 95 e.v.);
  • een schriftelijk bescheid, inhoudende een ander geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5° Sv, te weten briefrapporten afkomstig van het Amsterdam UMC, inhoudende medische informatie met betrekking tot [slachtoffer] (dossierpagina 47 e.v.);
  • een proces-verbaal van bevindingen ‘rijden onder invloed’ (dossierpagina 179 e.v.);
  • een schriftelijk bescheid, inhoudende een verslag van een deskundige als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 4° Sv te weten een rapport ‘Toxicologisch onderzoek naar aanleiding van een vermoedelijke overtreding van artikel 8 Wegenverkeerswet Pro’, afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut (dossierpagina 187 e.v.).
3.3.2.
De mate van schuld
Om tot een bewezenverklaring van overtreding van artikel 6 WVW Pro te kunnen komen moet worden bewezen dat de verdachte zich in het verkeer zodanig heeft gedragen dat het aan haar schuld is te wijten dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Het juridische begrip ‘schuld’ houdt daarbij in dat minimaal sprake moet zijn van aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend rijgedrag. Daarbij komt het volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. In geval van gedragingen met een hogere graad van verwijtbaarheid kan dit worden gekwalificeerd als zeer onvoorzichtig en/of onoplettend handelen en in zeer ernstige gevallen als roekeloos rijgedrag.
De wetgever heeft met de “Wet aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeersdelicten” het begrip roekeloosheid nader ingevuld en zo het toepassingsbereik daarvan willen verbreden. Daartoe is in artikel 175 WVW Pro, de toepasselijke strafbepaling bij overtreding van artikel 6 WVW Pro, aan het tweede lid toegevoegd dat van roekeloosheid in elk geval sprake is als het gedrag tevens als overtreding van artikel 5a, eerste lid, WVW kan worden aangemerkt. Artikel 5a, eerste lid WVW beschrijft – niet uitputtend – een reeks gedragingen die kunnen worden beschouwd als ernstig gevaarzettend. De rechtbank moet dus beoordelen of het gedrag van de verdachte dat heeft geleid tot het aan haar schuld te wijten ongeval ook voldoet aan de delictsomschrijving van artikel 5a, eerste lid, WVW. Is dat het geval, dan bestaat de schuld daarmee in roekeloosheid.
In het kader van artikel 5a WVW moet de rechtbank beoordelen of de verdachte met het verkeersgedrag dat heeft geleid tot het ongeval (a) een of meer van de verkeersregels genoemd in artikel 5a WVW in ernstige mate heeft geschonden, (b) of zij dat opzettelijk heeft gedaan en (c) of daardoor gevaar was te duchten voor zwaar lichamelijk letsel of levensgevaar van anderen.
a.
Ernstige schending van belangrijke verkeersregels
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het ongeval, bij het naderen van de kruising van de Amsterdamseweg N202 met de op-/afritten van de A22, heeft gereden met een snelheid die lag tussen 103 kilometer en 112 kilometer per uur. Daarmee heeft de verdachte de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 80 kilometer per uur aanzienlijk overschreden. Het overschrijden van de maximumsnelheid kan ingevolge artikel 5a, eerste lid, onder g WVW worden aangemerkt als gedrag waarbij verkeersregels in ernstige mate worden geschonden.
Verder is de verdachte direct voor het ongeval twee kort na elkaar gesitueerde stoplichten gepasseerd. Uit de analyse van de gegevens van de verkeersregelinstallatie volgt dat het eerste stoplicht op het moment dat de verdachte met haar auto de stopstreep passeerde al minimaal 12,7 seconden rood licht uitstraalde. Het tweede stoplicht stond op het moment dat de verdachte de stopstreep passeerde al minimaal 7,9 seconden op rood. Ook door rood rijden kan ingevolge artikel 5a, eerste lid, onder i WVW worden aangemerkt als gedrag waarbij verkeersregels in ernstige mate worden geschonden.
Tot slot had de verdachte ten tijde van het ongeval veel te veel gedronken. In haar bloed is namelijk een alcoholgehalte vastgesteld van 2,11 milligram per milliliter bloed, terwijl de in artikel 8, tweede lid WVW vermelde grenswaarde 0,5 milligram per milliliter bloed is. Dit wordt mede in aanmerking genomen bij de toepassing van artikel 5, eerste lid, WVW.
De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat sprake is van het in ernstige mate schenden van de verkeersregels.
b.
Opzettelijk
Het opzet van de verdachte moet gericht zijn op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels. Bij het beantwoorden van de vraag of hiervan sprake was, moeten de aard en het samenstel van de gedragingen, de omstandigheden waaronder deze werden verricht en alle overige feitelijke omstandigheden van het geval in ogenschouw worden genomen. Daaruit moet de rechtbank kunnen afleiden dat de gedragingen in samenhang bezien naar hun uiterlijke verschijningsvorm een opzettelijke schending van de verkeersregels zijn geweest.
De raadsman heeft betoogd dat, nu de verdachte vrijwel geen herinnering heeft aan wat zich kort voor het ongeval heeft afgespeeld, niet gezegd kan worden dat de verdachte opzet heeft gehad op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels. De rechtbank verwerpt dit verweer. De verdachte heeft verklaard dat zij voordat zij ging rijden, tijdens haar werk in de horeca, een aantal glazen wijn heeft gedronken. Vervolgens is zij welbewust in haar auto gestapt en op weg gegaan. Dit kan niet anders worden gezien dan als een opzettelijke handeling. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte met de beslissing om met drank op te gaan rijden alle daaruit voortvloeiende gevolgen, waaronder het met hoge snelheid door rood licht rijden, op de koop toe genomen. De rechtbank concludeert daarom dat de verdachte opzet heeft gehad op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels.
c.
Gevaar te duchten
Door de hiervoor beschreven gedragingen van de verdachte was gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van andere verkeersdeelnemers te duchten. Het door de verdachte gecreëerde gevaar voor andere verkeersdeelnemers heeft zich ook verwezenlijkt. De verdachte heeft een verkeersongeval veroorzaakt waarbij aan een ander zwaar lichamelijk letsel in de vorm van hersenletsel, letsel aan de aorta en het middenrif, orthopedisch letsel en gebitsletsel is toegebracht.
Conclusie
De rechtbank merkt de gedragingen van de verdachte die tot het verkeersongeval hebben geleid aan als een overtreding van artikel 5a WVW. Daarmee heeft de verdachte de zwaarste vorm van schuld aan het ongeval, te weten roekeloosheid.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

1.primair

zij op 9 december 2023 te Velsen-Zuid, gemeente Velsen, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) daarmede rijdende over de Amsterdamseweg N202, zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos
- met een niet toegestane hoge snelheid de met verkeerslichten geregelde kruising op die Amsterdamseweg met de op- en/of afrit van de A22 te naderen en
- meerdere voor haar bestemde rood licht uitstralende verkeerslichten te negeren en
- haar snelheid niet zodanig te regelen dat zij in staat was het door haar bestuurde motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover deze vrij was en
- geen voorrang te verlenen aan en met hoge snelheid aan te rijden tegen een voor haar van rechts komende personenauto
waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, te weten hersenletsel en letsel aan de aorta en het middenrif en orthopedisch letsel en gebitsletsel is ontstaan, terwijl zij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994;
2
zij op 9 december 2023 te Velsen-Zuid, gemeente Velsen, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in haar bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 2,11 milligram alcohol per milliliter bloed bleek te zijn.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:
De eendaadse samenloop van:
overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid van deze wet
en
overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994 (2,11 milligram).
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6.Motivering van de sanctie

6.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één jaar, met een proeftijd van twee jaar, en tot een taakstraf voor de duur van 240 uur, subsidiair 120 dagen hechtenis. Daarnaast heeft de officier van justitie een ontzegging van de bevoegdheid motorvoertuigen te besturen gevorderd voor de duur van vier jaren, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs ingevorderd is geweest.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank verzocht in het kader van de strafmaat rekening te houden met het tijdsverloop en met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, met name haar werk als ZZP’er. Daarnaast heeft de verdediging naar voren gebracht dat de verdachte veel spijt heeft, dat zij zich heeft ingezet om in contact te komen met het slachtoffer en dat zij in het kader van een regeling met de verzekering een fors schadebedrag heeft betaald en 80 uur vrijwilligerswerk heeft verricht.
De raadsman heeft de rechtbank verzocht geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, gezien de verregaande gevolgen die dat zou hebben voor de verdachte op het gebied van werk, inkomen en huisvesting. Voor oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf, zoals door de officier van justitie geëist, ziet de raadsman geen aanleiding, omdat er geen gevaar voor herhaling is.
Indien een taakstraf wordt opgelegd, dienen de uren die de verdachte als vrijwilligerswerk al heeft verricht in mindering te worden gebracht.
Tot slot heeft de raadsman ervoor gepleit om de ontzegging van de rijbevoegdheid te beperken tot twaalf maanden, de tijd dat het rijbewijs ingevorderd is geweest.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Aard en ernst van de feiten
De verdachte is na het drinken van meerdere glazen wijn in de auto gestapt en is gaan rijden. Bij een kruising is zij met veel te hoge snelheid door twee rode stoplichten gereden. Als gevolg van dit roekeloze rijgedrag is de verdachte op de kruising in botsing gekomen met een auto die groen licht had en net was opgetrokken. De bestuurder van deze auto heeft door het ongeval zwaar lichamelijk letsel opgelopen, waaronder hersenletsel en letsel aan de aorta en het middenrif. Het slachtoffer heeft langere tijd in het ziekenhuis moeten doorbrengen en de kans is niet denkbeeldig dat hij blijvend letsel aan het ongeval zal overhouden. De verdachte is volledig tekortgeschoten in de zorgplicht die op iedere verkeersdeelnemer rust ten opzichte van de medeweggebruikers.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in de eerste plaats gelet op het strafblad van de verdachte van 9 december 2025. Hieruit blijkt dat aan de verdachte in 2021 en in 2022 een strafbeschikking is opgelegd wegens te hard rijden.
De rechtbank heeft verder kennis genomen van het advies van Reclassering Nederland van 19 december 2025. De reclassering acht interventies of toezicht door de reclassering niet nodig en adviseert daarom een straf zonder bijzondere voorwaarden.
Op de zitting toonde de verdachte zich – naar de indruk van de rechtbank: oprecht – schuldbewust en berouwvol. Zij heeft de volle verantwoordelijkheid genomen voor het ongeluk, heeft veel spijt van haar gedrag en gaat gebukt onder haar schuldgevoel. Ook heeft de verdachte laten zien dat zij begaan is met het lot van het slachtoffer. Zij heeft meegewerkt aan het afwikkelen van de schade door het betalen van een aanzienlijk geldbedrag en het verrichten van vrijwilligerswerk. De rechtbank houdt met dit alles rekening ten gunste van de verdachte.
Strafoplegging
De ernst van de feiten rechtvaardigt in beginsel oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank ziet echter in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, de hiervoor geschetste opstelling van de verdachte en het onwenselijk lange tijdsverloop in deze zaak aanleiding om dat niet te doen. In plaats daarvan zal de rechtbank een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één jaar opleggen met een proeftijd van twee jaar. Dit om de ernst van de bewezenverklaarde feiten tot uitdrukking te brengen en als waarschuwing aan de verdachte om geen strafbare feiten te plegen.
De rechtbank is van oordeel dat daarnaast aan de verdachte een taakstraf voor de maximale duur van 240 uren moet worden opgelegd. De rechtbank ziet geen aanleiding om de door de verdachte als vrijwilliger gewerkte uren in mindering te brengen, zoals door de raadsman is bepleit. Het vrijwilligerswerk is verricht in het kader van de afwikkeling van de schade. Dat staat los van het punitieve doel van de taakstraf.
De rechtbank is van oordeel dat aan de verdachte bovendien, conform de eis van de officier van justitie, een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen dient te worden opgelegd voor de duur van vier jaren, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs ingevorderd is geweest.

7.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 55 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen
6, 8, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994 zijn van toepassing.

8.Beslissing

De rechtbank:
 Verklaart
bewezendat de verdachte de onder
1 primair en 2ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt haar daarvan vrij.
Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
 Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
1 (één) jaar, met bevel dat deze straf
niet ten uitvoerzal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte voor het einde van de op twee jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
 Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van
240 (tweehonderdveertig) uren taakstrafdie bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.
 Veroordeelt de verdachte tot een
ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van
4 (vier) jarenmet aftrek overeenkomstig artikel 179, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. C.H. de Jonge van Ellemeet, voorzitter,
mr. L. Boonstra en E. van Kampen, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier A. Helder,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 29 januari 2026.